Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoerd worden; de ideale toestand zou zijn: een proces altijd mogelijk, nooit noodzakelijk. Voor zoover de wetgever daartoe medewerken kan, door de rechtsregelen in de wet zoo duidelijk, nauwkeurig en ondubbelzinnig te formuleeren dat over hunne toepassing geen of zoo weinig mogelijk verschil kunne bestaan; door de procedure zoo doelmatig in te richten, dat de grootst mogelijke zekerheid besta, dat hij die werkelijk gelijk heeft in het proces ook gelijk krijgt, en door op die wijze van het voeren van onrechtmatige processen af te schrikken. is het des wetgevers dure plicht die medewerking te verleenen. De bepaling in quaestie daarentegen werkt juist andersom. Zij schrikt af van het voeren niet van onrechtmatige, maar van rechtmatige processen. Ieder proces, dat eene partij besluit niet op touw te zetten omdat zij, hoezeer het recht aan hare zijde hebbende, door de wet belet wordt het bewijs der feiten, waarop dat recht steunt, voor den rechter te leveren, is een onrecht, dier partij aangedaan.

Van niet veel meer waarde is het tweede motief, de vrees voor omkooping van getuigen. Wij leven toch niet in een maatschappij van louter schelmen en fielten, wier dagelijksch werk het is elkander om te koopen en zich door elkander te laten omkoopen. Dit motief is geheel in strijd met den reeds door de Romeinen uitgesproken rechtsregel: unusquisque habetur bonus et probus, donec probatur contrarium; een ieder wordt voor een eerlijk man gehouden, totdat het tegendeel bewezen wordt; in strijd ook met de leer van onzen wetgever zeiven, waar hij in zake bezit en verjaring den regel huldigt: de goede trouw wordt steeds voorondersteld, en degene, die zich op kwade trouw beroept, moet dezelve bewijzen. Men zal dan ook wel niet ver van de waarheid verwijderd zijn, wanneer men aanneemt dat de voornaamste beweegreden, die onzen wetgever geleid heeft tot het overnemen der Fransche bepaling, de wensch is geweest om partijen langs een omweg te nopen, van

Sluiten