Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de eerste plaats ontmoeten wij dan op onzen weg de bepaling van art. 1947 B. "NV.: »Als onbekwaam 0111 getuigen ,te zijn worden beschouwd, en mogen niet worden gehoord, de bloed- en aanverwanten van eene der partijen in de regte linie, en de echtgenoot, zelfs na eene plaats gehad hebbende >echtscheiding." Het motief, dat den wetgever tot dit verbod heeft geleid, ligt voor de hand. Hij heeft overwogen, dat de naaste betrekkingen van een der partijen in het geding niet als onpartijdige getuigen kunnen worden beschouwd; dat zij wellicht, wegens hunne vooringenomenheid met die partij, geneigd zullen zijn te haren voordeele aan de waarheid te kort te doen.

Maar al kan men niet ontkennen, dat aan deze overweging een zekere kern van waarheid ten grondslag ligt, zoo gaat toch de gevolgtrekking, dat nu de hier bedoelde personen in het geheel niet als getuigen mogen worden gehoord, inderdaad veel te ver. Tusschen de stelling, dat iemands onpartijdigheid en onbevangenheid gevaar loopen, waar de belangen van dierbare betrekkingen op liet spel staan, en de bewering, dat iemand in die omstandigheden altijd en zonder uitzondering de waarheid verkrachten zal, ligt een groote afstand. Eerst wanneer men dit laatste met grond zou mogen aannemen, zou het absoluut verbod van art. 11)47 als gerechtvaardigd kunnen worden aangemerkt. De eenige gevolgtrekking, die men uit de op zich zelve niet onjuiste grondgedachte van den wetgever mag afleiden, is dat men bij de beoordeeling van deze getuigenissen met meer dan gewone voorzichtigheid moet te werk gaan; dat de rechter met nog meer zorgvuldigheid dan anders, met in-aanmerkingneming van alle omstandigheden moet overwegen in hoeverre hij aan de afgelegde verklaring geloof kan hechten of niet. Nog meer dan anders; want ook daar, waar geen zoodanige bijzondere reden tot wantrouwen bestaat, als hier den wetgever tot uitsluiting deigetuigen leidde, is die zorgvuldige overweging des rechters

Sluiten