is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langrijk geslonken. Gravin Aleydis, de stadsvrouw, had reeds in 1282 30 8 jaarlijks „de reditibus arearum" in Schiedam aan haar kapel aldaar geschonken ') eene gift door haar zoon Floris van Henegouwen vermeerderd tot 70 0 (1285)2). Bovendien gaf deze aan Utrechtsche kloosters 00 (9 van dezelfde herkomst. De totale omvang der vervreemde goederen 130 (9 = 6'/s<ffi lijkt gering, maar wordt niet onbelangrijk, als we zien, dat de 50 hofsteden in 1334 maar opbrengen 15 <B 19 S 4 i + 58 (of 05) hoenderen. En dit is wel niet het eenige, waarvan wij weten, dat het den alles behalve penningvasten meesters der stad door de vingers gegleden is. Bedenken wij, dat wij de rekeningen hebben van een tijd, dat de omkeering in het financieel beheer van het graafschap al bijna zijn beslag heeft, waarbij het zwaartepunt van de opbrengst der domeinen zich verplaatst naar die der belastingen, uit een tijd, dat de eersten niet meer zijn dan restanten van het verkochte, in leen gege\en, \erpande en weggegeven onroerende goed, dan krijgt een post \an 38 „erven", te Dordrecht3) op het jaar 1330, een ander aanzien. In Rotterdam had de graaf in 1334 nog 47 bouwperceelen 4) en toen dit in 1340 stadrecht kreeg werden er zeker weer nieuwe uitgegeven; in de rekening van 1343—44 wordt vermeld „nuwe(r) hofstedehure" 5) wier opbrengst maar weinig van de oude verschilt.

In Leiden had de graaf bijna alleen den eigendom van één van de vier oudste wijken der stad nl. van het Wolliuisvierendeelfi), bovendien ook nog den burcht met den burchtstreng, een strook lands van 2'/, morgen') en zijn hof. De burchtstreng wordt door denzelfden graaf in 1294 verkocht en zijn complex van bezittingen in het Wolliuisvierendeel heeft hij ten deele geheel vervreemdB), grootendeels in groote stukken in leen of erfpacht gegeven. Het

1) Yan den Bergh, II, 470.

2) Supplement van J. de Fremery, 237.

3) Hamaker, Rek. van Holl. I, blz. 121 vlg.

4) Ib., blz. 209 vlg.

5) Ib. II, blz. 20: van hofstedehure te R. 4 IE 11 (3.

van nuwer hofstedehure 3 tfc' 19/3 6 5.

6) Blok, Een Hollandsche stad in de M. E., blz. 102.

7) Yan den Borgh II, 896. De grootte wordt opgegeven bij Van Mieris, Handvesten van Leiden, blz. 478, naar eene aanteekening van den secretaris Jan van

Hout (79 bij 19 roeden).

8) Het wolhuis werd iu 1429 door de stad verkocht, de bodem ervan behoorde haar (Holl. stad, blz. 51). Eenige hofsteden, aau Floris V toebehoorende, worden eenoemd in een register van leenen uit den tijd van dien graaf (ed. S. Muller Hz. in Bijdr. en Meded. v. Hist. Gen. Dl XXII), n°». 2, 120,131,106,193, 207 Zes hofsteden en bovendien 15<E 8(3, dus een betrekkelijk hooge som, uit de andere hoisteden waren in leen uitgegeven. In de grafelijke rekeningen van 1343— t on vangt de graaf 3 Hl' 4(3 6 3 en in die van 1344 41£ 2(3 6 5 van «hofstedehure De ligging dezer perceelen is niet meer aan te wijzen. Lagen ze in het Wolhuisvierendeel? (Ham. Rek. van Holl. II, blz. 19, 125).