is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de steden, ten noorden van liet IJ. In deze steden was de bodem , waarschijnlijk al in privaatbezit van de verschillende eigenaars, toen hij aan de Hollandsclie veroveraars kwam. In West Friesland was géén landsheer, geen adel, geen geestelijkheid met uitgestrekte goederen, die geconfiskeerd konden worden. Dus kon de graat'wel hoogheidsrechten, maar geen land meer verwerven, enkele vroonlaiule-

rijen uitgezonderd ').

Op dezelfde wijze moet ook uitgelegd worden het zoo goed als ontbreken van hofstedegelden in Amsterdam 2). Floris V had 1280 of,'81 een stuk gronds door den bisschop van Utrecht aan Jan Persijn doen afstaan en in het volgende jaar van den laatste gekocht. In 1285 had hij Gijsbrecht van Amstel de in 1280 of '81 gedane gift laten bevestigen 3). Maar dit stuk was, behalve het terrein, waarop het kasteel der Heeren van Amstel gestaan had, ook het eenige, wat de graaf bezat van den oorspronkelijk Stichtschen

bodem van Amsterdam.

Met hetgeen opgemerkt is omtrent de steden van het latere Noorderkwartier van Holland, stemt geheel overeen hetgeen wij vinden in Zeeland. Bewester Schelde geene hofstederenten, wanneer men tenminste Westkapelle uitzondert4); beooster Schelde wel. In Domburg geene vermelding ervan, in Middelburg slechts van een grafelijke boomgaard en een werf3), verder van maar twee hofsteden, waarvan men bovendien nog weigert te betalen fi); in Zierikzee daarentegen treft men aan: 'sgraven hof of „steenhuus", de hofsteden „an die mare van mijns heren hove," „an mijns heren tsgraven muur, die groet zijn 45 r(oeden), daennen of ghelt \ an elcker roede 12 ó" 7) benevens een daar liggenden koolhof") en den bodem, waarop het grafelijke wanthuis 9) en het vleeschhuis ,0) gebouwd waren.

Dit laat zich uitstekend verklaren uit het verschil in de politieke geschiedenis van de beide deelen van Zeeland. Het noordelijke was

1) Hierover ook Westfriesclie stadsrechten, ed. M. S. Pols (0. Vad. Rechtsbr. I 7), I, Inleiding, blz. XXII vlg.

2) 9 in 134-2—43. Ham. Rek. van Holl. I, blz. 264.

10 in 1410. v. Mieris, IV, blz. 155.

3) Over de verwerving van dit grondbezit: J. ter Gouw, Geschiedenis v. Amst.

I, blz. 139 vlg., 171 vlg.

4) Hamaker, Rekeningen der Grafelijkh. van Zeeland (Werken van Hist. Gen. N. 8. 29, 30, 1879, 1880) I, blz. 111 (1318), 214 (1330), 436 (1331), II, blz. 178 (1340).

Hier wordt telkens ongeveer 5 tf geïnd „van mijns heren hofsteden'', maar de posten zijn volkomen ondoorzichtig, wat betreft omvang en aantal der areae.

5) Door Willem III aan den Commandeur der St. Janshuizen gegeven : Van Mieris,

II, blz. 180 (1317—'18).

6) Hamaker, Rek. der Graf. v. Zeel., I, blz. 112 (1318).

7) 1b. I, blz. 105 (1318), II, 48, 65 (1339), II, 244 (1343).

8) lb. 1, blz. 105 (1318).

9) lb., I, blz. 105 (1318), II, 51, 65 (1339), 244 (1343).

10) Reeds in 1248 „cum fundo suo" verkocht aan twee burgers: Van den Bergh, 1,459.