Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1401 blijkt, dat dit maar weinige erven zijn, in het geheel 15, liggende in den omtrek van Bisschopshof, opbrengende 4 gld. 16 pl. 4 Brab. ').

Betreffende Kampen en Zwolle zijn wij veel slechter ingelicht dan omtrent Deventer. Van de eerste stad is mij niets bekend, dat met het hier behandelde onderwerp in verband staat. Uit de tweede trok de bisschop tot 1404: „20 <8 tijnsschellingen, vijff mudden rogge, vijff verricken, 10 honderen des iaers" !). Hofstedegelden ? Waarschijnlijk niet; de opbrengsten in natura wekken eer de gedachte op, dat deze renten van hoorigen afkomstig waren. Hoenderen ') zijn niet ongewoon als „census arearum", maar graan en varkens wel.

De kleinere steden aldaar bieden weinig opmerkelijks. Van Hardenberg is gesproken: dit was eene nieuw aangelegde stad; de andere waren van dorpen steden geworden, d. w. z. ze hadden stadsrecht gekregen, maar de bevolking was niet toegenomen en de eigenaardig stedelijke oeconomische toestanden waren er niet ontstaan. In Ootmarsum, Oldenzaal, Delden en Goor had de bisschop omstreeks 1300 een curtis 4), in Enschede bezat de graaf van Solnis „olthovige guederen" 5). De aanwas der bevolking was evenwel niet van dien aard, dat er bouwterrein van beteekenis verstrekt behoefde te worden. In 14(50 verpacht de Bisschop nog den „Biscoping lioff m y t allen synen maden endegaerden tot den voirss. Hove hoerende ende zijne (onse) vrije stede bynnen zijne (onse) stat van Aldenzaell gelegen" 6).

1) Volgens welwillende inededeeling van den Archivaris der gemeente Deventer, Mr. J. Acquoy. Oorspronkelijk bestond het meerendeel der opbrengsten uit naturalien; 3 gld. 12 placken vertegenwoordigden de waarde van 21 kapoenen, 5 pond was en een pond peper.

2) Arent ten Boecop, Codex Dipl. Neerl., II» serie, dl. 5, blz. 475 vlg.

3) In Rotterdam en vooral in Schiedam (Hamaker 1.1.), ook in Gouda (De Lange van Wijngaerden, I, blz. 612), Gorinchem en Leerdam (Van Mieris, IV, blz. 5?). Vgl. Fruin, Versp. Gesohr., I, blz. 97 vlg. en W. Arnold: „Zur Gesohichte des' Grundeigenthums in den deutsohen Stadten" (1861), S. 35, 70 ff. Ze waren evenwel volstrekt altijd geen teeken van hoorigheid. Buiten de stad, vgl. het artikel over huishoenderen, te gelden „alst zede ende woente is" in handvest van ICennemerland: Van den Bergh, II, 816.

4) Volgens het Manuaal van den rentmeester, uitgeg. door S. Muller Fz. in Registers en Rekeningen, II, blz. 582 vlg.

5) Arent ten Boecop, blz. 236 vlg. (1331).

6) Raoer, Gedenkstukken, V, blz. 348 vlgg.

Over de toestanden in Groningen valt zoo goed als niets mede te deelen. In

hoeverre de stad onstaan is op het „prediuni in villa Cruoninga nuncupata",

in 1040 aan de St. Maartenskerk te Utrecht geschonken door Hendrik III, valt niet uit te maken. Zelfs of de stad ontstaan is uit die villa, is wel eenigszins twijfelachtig. Ken buitengewoon liooge ouderdom kan zij niet hebben, daarvoor is de aanleg met een markt, waarop de straten als stralen uitloopen, te regelmatig en te opzetteljjk. Het praedium maakte in 1040 een deel van de plaats uit, zooals blijkt uit de woorden „i n villa". Van de vastigheden, welke later nog over zjjn van het

Sluiten