is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De menschen wisselden, de grond bleef. De lioorige zal zich, als hij in de stad woonde en buiten den kring van de heerlijke grondexploitatie geplaatst was, van zijne verplichtingen wel voornamelijk gekweten hebben door liet betalen eener geregelde opbrengst in geld. Dit kon, wanneer er veel hoorigen in de stad waren, reeds van invloed zijn op de welvaart van het geheel, maar bepaald bedenkelijk zou het geweest zijn, wanneer goederen, door hoorigen verworven, bij hun dood in de handen kwamen van een, der stad lang niet altijd welgezinden, heer. Vooral in het Oversticht lagen de steden gewoonlijk overhoop met de groote edelen en met den bisschop slechts zóó lang niet, als zij zoo goed als niets van zijne macht gevoelden. En al nam liet goed van hoorigen niet toe, dan nog was het ernstig, indien voortdurend terreinen aan den heer terugvielen en deze ze bijvoorbeeld kon uitgeven in zulk een bezwarenden vorm, dat de bezitters hunne waarde als contribuabelen voor de stadskas verloren, zelfs reeds, wanneer hij ze onbewoond kon laten liggen, en ze zoodoende kon maken tot afgestorven deelen in het lichaam der stad. Deze moest er steeds naar streven, dat de inwoners verzekerd waren van de erfelijkheid hunner huizen en erven; de gemeenschap moest niet alleen er op kunnen vertrouwen, dat de grond steeds voor het gebruik der burgers beschikbaar bleef; daarnaast moest ze er op kunnen rekenen, dat hare leden door hun bezit ten minste voor een gedeelte hunne belangen identiek gevoelden met die van het geheel.

Kon dus de stad niet goed en persoon van den hoorige binnen hare rechtssfeer trekken '), dan deed ze het minstens met zijne onroe- \ rende bezittingen. Tegen liet nemen van de „keurmede" (in Deventer het beste kleed 2), die het roerend goed trof, kon zij minder bezwaar hebben, al heeft soms de stad deze ook wel eens den rechthebbenden pogen te ontnemen3). Van meer gewicht was voor eene stad het recht, dat de bisschop gaf aan de hoorigen binnen Oldenzaal, nl. dat zij, die daar gevestigd waren met toestemming van hunne lieeren, „quibus proprietatis vel servitutis jure attinent", en

1) Voorbeelden, als dat van bet klooster Betlehem in Doetinchein, dat bepaalt, dat zijne „coloni et homines" binnen de stad als stadsburgers zullen worden beschouwd (Sloet, II, blz. 1044, a". 1282) zijn zeldzaam.

2) Dit was de gewone vorm van keurmede, door den bisschop en den hertog van Uolre daar geheven : Dumbar, Deventer, II, bl. 21 (1403).

3) In Amersfoort eene arbitrale uitspraak van Willem van Gelre tussclien den bisschop en de stad van 1394: „dat die stad van Amergfort des Bisscops Koermeedsche guede, noch Koermeeden, noch dienst van botwaghen sich niet onderwynden en sal, noch hem daeran hinderen": A. Matthaeus, Rerum Amersf. Scriptores, p. 224. In een stadje als Eemnes-buiten werd nog in 1532 bepaald, dat iemand, die jaar en dag burger geweest was, vrij was van de keurmede, „ten waire of hy yemandt toebehoerde in enige eygenscap". Dit was dus voor de vrije burgers een privilege. Zie De Geer, Bijdragen tot de Gescli. en Oudh., blz. 382. Hetzelfde in Kembrugge en ISaarn, Ib., blz. 201.