is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handen belastingvrij was, moesten de overige burgergoederen te zwaarder belast worden. Nu waren grond en huizen evenwel gewoonlijk niet een grondslag voor belastingheffing, in den regel werd men naar zijn vermogen geschat en aangeslagen. Doch ook deze vorm van heffing was zeer weinig geliefd; wanneer buitengewone omstandigheden er niet toe noopten, beperkte men zich bij voorkeur tot indirecte belastingen. Onder de laatste brachten, evenals tegenwoordig nog in ons land, de accijnsen op dranken het meest op. Dat de brouwaccijns veel opleverde, ligt voor de hand, wanneer men denkt aan de onbekendheid met thee en koffie, en ook aan het geringe verbruik van gedestilleerde dranken; bier was toen de volksdrank. Maar daarnaast was de wijnaccijns ook een van de voornaamste posten, dikwijls zelfs d e voornaamste in de rij der stedelijke ontvangsten. En hiervan waren de geestelijken bevrijd.

Eerst tegen het einde der 15e eeuw worden ze in Holland genoodzaakt, ook iets op te brengen voor de stadskas '). Wel vinden wij reeds in 1415 voor Medemblik 2) en in 1447 voor Enkhuizen 3) bepaald, dat geestelijken voor hunne wereldlijke erven, niet voor de goederen, die aan geestelijke stichtingen behoorden, zouden moeten medebetalen; doch accijnsen werden in dezen tijd in de Westfriesche steden niet geheven en tegen de aanranding van de vrijstelling daarvan schijnt men meer opgezien te hebben dan tegen het betrekken in eene directe belasting. Toen men elders de geestelijken in de stadslasten liet deelen, werd hun accijnsvrijheid gelaten, maar men hief eene bepaalde som per hoofd of per klooster. In Leiden betaalde iedere non in 1484 jaarlijks 16 grooten, later werd dit sommetje verminderd en van de geheele verandering blijft niet veel meer dan eene schuchtere poging over, als men ziet, hoe van 1510 tot 1514 het hoofdgeld van de (12) zusterhuizen nog geen half percent van het totaal der stedelijke inkomsten, nog niet één percent van de opbrengst van den bieraccijns alleen, bedroeg4).

Tegenover zoo'n voorbeeld staat evenwel dat van een krachtige stad als Groningen, dat reeds in 1346 het klooster Aduard verplicht

1) Blok, Een Holl. stad o. d. Bourg. Oost. heerschappij, 1884, blz. 217.

2) Van Mieris, IV, blz. 358.

3) Boerg. Charters, n". 89. Hier is alleen sprake van betalen, dus ze behoefden voor hunne huizen geene waakdiensten te verrichten. In Elburg schijnen ze van hunne huizen te hebben moeten doen, dus niet alleen te moeten betalen, als andere burgers: Regest bij v. Meurs, blz. 200 (1418). In Zwolle moesten de beide begijnhuizen elk voor zich twee wakers stellen: Stadb. ed. Telting, blz. 518. De begijnen waren evenwel meer in de macht van den raad dan de andere geestelijkheid. In Utrecht was er een lid van den raad, die apart aangewezen was voor het toezicht op de begijnhuizen, de begijnmeester: Inleiding op de Reohtsbr. v. Utr., blz. 243 vlg.

4) Informacie van Hollant ende Vrieslant, Ed. R. Fruin, 1866, blz. 237 vlgg.

In Delft betaalde alleen het begijnhuis een vnste som : Keuren en Ordonn. v.

Delft, ed. J. Soutendam, 1870, blz. 219.