Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evenals tegenwoordig de handwerkslieden zich wel eens benadeeld achten door de vervaardiging van sommige zaken in de gevangenissen, waren de gildeleden van toen er verontwaardigd over, dat de producten van den goedkooperen arbeid der geestelijken met de hunne concurreerden. Tevergeefs trachtten de Hollandsclie wevers in 1455 door eene sententie van het hof een einde te maken aan het bestaan der weverijen in de begijnenhuizen. Het Hof liet ze voorloopig bestaan, totdat hieromtrent nader zou zijn beslist '). Niet alleen de begijnen, ook andere geestelijke zusters hielden zich, tenminste in Leiden *), bezig met „der neringe van der draperye" en te Zutfen was zelfs een vast aantal weefgetouwen voor ieder klooster vastgesteld 3). In Groningen trachtten de schoenmakers den kloosters het houden van schoenmakersknechts te bemoeilijken door te bepalen, dat die, welke in kloosters arbeidden, bij geen van hen werk zouden krijgen 4), en in Utrecht werd in 1452 een uitgebreide keur gemaakt om onder meer te voorkomen, dat de burgers werk gaven aan kloosters, begijnhuizen of geestelijke personen, dat dezen handwerk voor loon zouden uitoefenen in kerk of klooster „mit stalkeersenlichte", dus na zonsondergang, en dat iemand iets kocht of ontving van een geestelijke, „daer onser stat ghilden by veraftert waeren" 5).

Uit echter, zoowel de verkoop van accijnsplichtige zaken als de uitoefening van handwerk door geestelijken, houden maar gedeeltelijk verband met den onwil, om stedelijke erven in hunne handen te laten komen. Verkoop en handwerk konden desnoods plaats vinden in de kloosters zelf of in de huizen, oorspronkelijk tot woning der geestelijken bestemd. Uitbreiding van grondbezit en gelegenheid om meer huizen te verwerven waren hiervoor geene noodzakelijke vereischten.

De hoofdzaak is wel geweest de „mortua manus", dat „tguendt in hueren handen compt, dat blijft er"6), dat zij wereldlijk goed, aan hen geschonken, „eeuwelicken aen hem behouden willen ende (dat het) niet weder op waerlicke luyden comen en mach" 7). Wij

1) Boerg. Chart., nn. 109. Iu Zwolle verkochten zij laken bij de el. Dit werd verboden 1465: Stadb., ed. Telting, blz. 473.

2) Hamaker, Keurboeken v. Leiden, blz. 491 (1446).

3) R. W. Tadarna, Gesch. der St. Zutfen, 1856, blz. 124.

4) Gron. Oorkb. n". 613.

5) Rechtsbr. v. Utr., I, blz. 381 vlg..

6) Informacie, blz. 196.

7) Van Mieris 11, blz. 855. Als in 1405 in Schiedam een zusterhuis wordtopgericlit, krijgt het van de stad huis en erf benevens vrijstelling van schot en lot, van wachten en waken, van exeijs en ongelden, maar de geërfde huizen, land en renten moeten voor de helft weer aan de wereldlijke verwanten van de kloosterlinge, aan wie ze toegevallen waren, nagelaten worden: Ib., IV, blz. 26. Voor het nieuwe klooster der Kruisbroeders te Goes wordt niet getornd aan de vrijheid van lasten, maar het mag buiten vergunning van baljuw, burgemeester en schepenen, niet meer dan 50 gemeten land in het ambacht der stad aankoopen: Ib.

Sluiten