Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden de gilden meester in de stad. Nu wordt geëischt, dat alle inwoners, die het in 1446 uitgesproken verbod hebben overtreden, daarvan kennis zullen geven. Ook dit blijft zonder gevolg of het gaat tenminste te traag naar den zin van het volk. Het rot samen, dringt de kloosters binnen en ontziet zich niet om de kisten open te breken, ten einde inzage in de eigendomsbewijzen te verkrijgen ').

Wat hier omtrent de Nederlandsche steden meegedeeld is, kan meteen dienen voor die over onze tegenwoordige oostelijke grenzen, zoouat daarvoor een enkel voorbeeld voldoende is 2).

Een enkele maal vindt men hier ook grondheerlijke hoven van adellijke eigenaars in de stad 3). Deze hadden niet dat gevaarlijke expansievermogen, hetwelk het geestelijk bezit zoo dreigend maakte, kwamen gewoonlijk aan burgerlijke eigenaars, omdat de heer er daardoor een grooter opbrengst uit kon trekken, en werden alleen lastig, wanneer een hoofdig heer ze in hun ouden staat liet en een dergelijke rol speelde als b. v. een vasthoudend landeigenaar van tegenwoordig, die slechts door de onteigeningswet gedwongen kan worden het spoorwegverkeer niet te belemmeren. Overigens e\ enwel zijn het dezelfde klachten; de Straatsburger raad nam strenge maatregelen tegen de Harrevoeters en Predikheeren, want het stond te \ reezen, „daz unsir stat kurzlichen alle ir eigen were worden 4). In Keulen beloven de Augustijnen reeds in 1345 aan den raad hun geheele huizenbezit buiten het klooster van de hand te zullen doen 5). Hier was de strijd ten opzichte van deze orde dus schijnbaar gewonnen, maar tevens bewezen, tot welk een buitensporigheid het geestelijk bezit daar wel gekomen moet zijn, dat het dergelijke scherpe maatregelen uitlokte.

persoon voor eene geestelijke stichting het goed „up ghelove" ontving. Deze werd dan in naam eigenaar, maar beloofde den werkelijken eigenaars het hun in volle vrijheid te zullen laten gebruiken en het hun op hun eisch terstond te zullen overgeven. Een voorbeeld van een dergelijk contract voor het klooster Oudwijk: Codex Diplomaticus Neerl, 1857 II, blz. 70 (1499).

1) Heda, ed. Buch., f. '292.

2) Vgl. voor de vrijheid van lasten: Gengler, Stadrechtsalterth., S. 294, en voor de wijze, waarop daarvan misbruik gemaakt wordt: Urkundenb. der St. Augsburg ed. C. Meyer, 1874 ff., I, S. 112 t. Het klooster Fürstenfeld koopt eene „curia" in de stad en verlangt daarvoor belastingvrijheid, op voorwaarde, dat de bewoners „suln in demselben hof nicht schenken, cheinerslaeht vailes trinken, noch kainen gast umb phennmg eraphahen noch haimens, wan der in ordens ist oder dem siz unib sonst ane phennige geben wellen. Und suln auch keinen Wirt drinne haben, der gescheffte hab mit kaufen noch verkaufen mit gevaerde ...." (1295).

3) Bijv. te Spiers, waar de stadsraad in 1340 koopt „hern Ebelins hof hof fur den Munster" voor de groote som van 2300 'tf, wel een bewijs, hoe gaarne de stad een dergelijke enclave uit haar grondgebied verwijderde: Urkunden zur Gescli der St. Speier, ed. A. Hilgard, 1885, I, S. 411 ff.

4) Strassburger Urkb., ed. W. Wiegand, 1879 ff., II, S. 79.

5) "W. Stem, Acten v. Köln iin 14'e» und 15'en Jahrh., 1893, S. 85 n. Dergelijke belofte deden ook de Minorieten; do Oarmelieten en ook de Dominicanen werden er toe gedwongen: L. Ennen, Geschichte der St. Köln, III, 1869, S. 758 f.

Sluiten