Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meene belangen gesproken en zoo noodig bepaald, dat er schot geheven zal worden van de buren. De bepalingen van het huurrecht bewijzen, dat het een waterschapsrecht was. De rechtsdwang is bij de burgemeesters; oldermans en dijkrechters leggen boeten op, maar alleen de burgemeesters mogen een onwilligen boetschuldige voor zich dagen en dwingen tot betaling, evenals ook deze alleen iemand mogen vervolgen wegens nalatigheid in het betalen van schot. De andere, boven geciteerde oorkonden betreffen alle drie waterschapsbelangen, het zijn zg. zijlbrieven.

Het beheer van de hemrikken is dus gescheiden van dat der stad. Er komen in de rekeningen der stad geene inkomsten of' uitgaven van de hemrikken voor, integendeel, de stad moet als weideplaats voor de stadspaarden huren den zg. Korreweg in het Westerhemrik. Het hemrik had dien toegewezen aan zijn bode; van dezen huurt de stad hem voor 20 Arentsguldens ').

Een en ander zal nu wel voldoende getoond hebben, dat er niet den minsten historischen grond bestaat, om de Groninger hemrikken als eene stadsmark te beschouwen, wel om ze voor een waterschap te houden, dat naast de stad lag en dat deze onder haar gezag had weten te brengen. Hiermee is natuurlijk niet ontkend, dat er in Groningen nooit een mark bestaan heeft, maar alleen betoogd, dat noch wat op hier aangehaalde plaatsen mark genoemd wordt, noch de hemrikken als zoodanig te beschouwen zijn.

N«mst de hemrikken2) vindt men in de noordelijke gewesten „meenscharen d. z. weiden, die gemeenschappelijk gebruikt worden; maar door wie? Ik ben niet in staat daarop een juist antwoord te geven. Het gemeenschappelijk gebruik is nog niet voldoende om een stuk land een mark te noemen. Wanneer enkele bezitters van weiden besluiten, om deze gezamenlijk te laten beweiden, wat vooral met moerassige of andere minderwaardige landen zeer voor de hand ligt, dan scheppen zij iets, wat men bij wijze van spreken eene secondaire mark zou kunnen noemen, geen mark in den historischen zin. De voorbeelden, door Acker Stratingh verzameld, zijn over 't algemeen doorzichtig en van laten datum, maar geen' is er bij, waarvan blijkt, dat het oorspronkelijk is: het niet in privaat bezit overgegaan deel van dorps- of gemeentegrond 3).

1) Stadsrekeningen v. Groningen, ed. I'. J. Blok, i. a. 1548, blz. 305, 392.

2) Wat betreft de hemrikken, wijs ik nog op de plaats bij Mr. H. C. Feith, Het Groninger beklemrecht, I, blz. 210, noot, waar deze er de aandacht op vestigt, dat de hemrikken vooral nienw aangeslibde gronden zijn. Hij noemt o. a. Nieuw -Beerta en Beertster-hemrik, N i e u w olde en Midwolder hamrik, dubbele namen voor dezelfde stukken grond, die reeds bewijzen, dat de hemrikken later ontstaan zijn.

3) Het zou mjj te ver voeren alle plaatsen, door Acker Stratingh genoemd, afzonderlijk te bespreken, te meer, omdat geen van aile zelf het bewijs bevat van

Sluiten