Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer „waren" heeft, maar als bezitter, die recht heeft op een derde der opbrengst. De overige grafelijke meenten zijn stellig geene marken meer, zij k u n n e 11 het geweest zijn. Als „Obermarker" heeft hij ze niet gekregen, maar hij zou ze, misschien met eenige pressie, op grond dat zij in zijn domein lagen, gekocht kunnen hebben. De taaiheid evenwel, waarmee markegemeenschappen in het leven trachtten te blijven, is bekend genoeg, 0111 niet eene dergelijke operatie met een allicht klein aantal gezamenlijke eigenaars, die een zuiver persoonlijk en vervreembaar recht op het land hadden (zooals dit juist in een polder het geval is), veel gemakkelijker te achten '). Blijft alleen de stadsweide van Edam als voorbeeld, dat zoo geheel alleen staat, dat het voor de algemeene toestanden niet als bewijs kan dienen.

Nu is er nog een andere oorzaak, die maakt, dat vele steden geene mark hadden, en deze oorzaak heeft niet alleen in Holland gewerkt. De meeste steden hebben zich namelijk als 't ware in de voegen van de oude landverdeeling ontwikkeld. Rietschel heeft voor de Duitsche steden rechts van den Rijn op overtuigende wijze aangetoond, dat juist de oudste nieuwe vormingen zijn 2). Ook die steden, wier naam reeds vroeger voorkomt als van een dorp, van een burcht met zijn suburbium, van eene bisschoppelijke emuniteit, een vlek om een klooster of een koningspalts, ontstonden niet uit de plaats, wier naam zij dragen, maar ernaast. Deze stedenont-

1) Meenter wordt door Stallaert in zijn Glossarium verklaard als: medeaangelande, medebelende eigenaar, fr. copropriétaire, voisin adjacent, riverain. De Borcligrave geeft op p. 298 den inhoud van een bundel rechtsgewoonten, privileges etc., in het begin der 16de eeuw verzameld. Hierin wordt beschreven de aanleg van een polder. Dit werk wordt geleid door den „meentenaer" d.i. den „praefectus opens". In de op een na vroegste oorkonde, waarin wij iets vernemen van de dijkgemeenschap, die later het waterschap Rijnland vormde, nl. in het charter van 1255, medegedeeld door Prof. Fruin als Bijl. 11 van zijn opstel over de opkomst van het Hoogheemraadschap van Rijnland (Versl. en Meded. d. Kon. Ak., Hl5, blz. 275 vlgg.) wordt deze aangeduid als: communis terra. Er zal niets aan de dijken van deze streek gedaan worden „absque communi consilio illorum communis terre consiliariorum, qui Hemenrade vulgariter nuncupantur.'' Verder komt de uitdrukking „gemeene land'* nog herhaaldelijk voor als benaming voor dit waterschap: A. A. J. Meylink, Gesch. van het Hoogheemraadschap en der lagere waterbesturen van Delfland (1847), blz. 231 (1437), 238 (1451), 304 (1595); voor de Krimpenerwaard : lb, blz. 221 vlgg. (1430); voor een „moerdijk bij Zevenbergen: lb., blz. 402 (1430); voor de Groote Waard: lb., blz. 415 (1394), 422 (1410). Dit zijn toch zeker geene marken, evenmin als de ook terzelfder plaatse genoemde dorpen van Rijnland, die nederheemraden hebben „bynnen horen marken": lb. blz. 217.

2) Rietschei, Markt u. Stadt,' S. 124 ff.

Sluiten