is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn voor den geschiedvorscher, geeft duidelijk aan, welk eene nauwe verhouding men zich dacht tussclien de stad en hare mark.

Dergelijke algemeene beschouwingen echter verhinderden niet, dat de stad zoo veel mogelijk tot eene nauwkeurige afgrenzing harer rechten op de mark zocht te komen en wel liefst in dien vorm, dat zij daarover de volkomen vrije beschikking kreeg. Eigendomsrechten aan de mark stelden dan ook de Maagdenburgers als regel, toen zij aan Hendrik 1 een rechtsbrief gaven voor de naar Maagdenburgsch recht te stichten steden in Silezië. De „proprietas" aan de „communio civitatis" moest bovendien goed verzekerd worden; de stadsheer moest die niet in gevaar brengen door grachten of gebouwen te maken en bij had zorg te dragen, dat ook niet anderen de verkregen rechten der stadsbewoners illusionnair maakten ').

In weinig steden spiegelt zich het streven naar deze rechten zoo duidelijk af in de oorkonden als bijv. in Straatsburg, waar de bisschop zeide eigenlijk alleen bezitter van de gemeene gronden te wezen. Ze zouden oorspronkelijk aan het rijk behoord hebben, dat ze hem afgestaan had. Een uitspraak van keizer Frederik II zette deze bewering kracht bij 2). Maar diens theoretische erkenning zijner rechten gaf den bisschop niet veel. In 1230 schonken burgemeesters, raad en burgerij „locum, f|ui vulgo almeinde nuncupatur" aan een klooster (S. Marx). De bisschop stemde toe in de schenking, maar hij verrichtte ze niet;l). In het volgende jaar verkochten burgemeester en raden zelfs de „almende"4) (waarschijnlijk niet geheel). Toch was de twist nog niet in het voordeel der burgerij beslecht: de kerkvorst vaardigde nl. in 1259 nog een verbod uit om huizen te bouwen op die terreinen, die „almende" genoemd werden, waarover hem het bestuur en de beschikking toekwam 5) en klaagde in een van de volgende jaren, dat de stad zich alle rechten op de mark aanmatigde, haar slecht beheerde en ze zelfs

1) Dit en meerdere voorbeelden : Gierke, Genossensohaftsrecht, II, S. 655, noot. In Breslau werd die proprietas weldra dominium. In 1276 verklaarde Hendrik IV van Silezie, dat zijn vader en zijn oom aan de stad gegeven hadden „omnia iura, que ad pascua pertinere dinoscuntur": Breslauer Urkundenb., I, S. 44 f.

2) Strassb. Urkb., I, S. 127 : . .. pro ter ris illis in eivitate sive extra, que vulgo nuncupatur almeino, quod nullus hominum illas terras habere debeat vel sibi ex eisdem aliquid vendioare nisi de manu episoopi, qui ipsas terras ab imperio et de manu nostra se tenere recognoscit.

3) Strassb. Urkb. I, S. 172.

4) Ib., S. 176.

5) Ib., S. 327: .... areas illas, que vulgariter almende nunoupantur .... quo in nostra ordinatione ae dispositione consistunt.