Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebonden en welwillendheid jegens de stad tot plicht gemaakt. Daarnaast staan aan koop en zonder eenig voorbehoud van den verkooper, doch dit slechts in één geval van een edelman '). In deze gevallen voelde de stad zich vermoedelijk gediend door de uitbreiding harer eigendommen. Trouwens met verpandingen, kwam dit ook wel voor. In 1391 kreeg Lübeck zoo de helft van het slot Weningen, tot beschutting tegen straatroovers, zooals nadrukkelijk gezegd wordt2).

Een gebeurtenis in de geschiedenis van Liibeck's stadsbezit was de koop van de stad Mölln. Voor 9.737'/s M. verwierf het deze van Albrecht en Erik van Saksen-Lauenburg 3). Het recht van wederkoop, dat zij zich voorbehielden, hebben zij niet uitgeoefend en Mölln is aan Lübeck gebleven. Het had den tol aldaar in handen en bezat in de stad zelve een vooruitgeschoven bolwerk aan de Stecknitz. Evenals Basel in Liestal, had Lübeck hier de stadheerlijke rechten; de rechtsspraak en de raadsbestelling lag in handen van den Lübecker stadsraad4), al mochten de Möllner raadsheeren zich nog al eens weerbarstig toonen. En uit een financieel oogpunt gezien, was de koop lang niet slecht, zooals blijkt uit het besluit \ an den Lübecker raad, waarbij hij zich de zelfbeperking oplegde om jaarlijks niet meer dan 940 M. uit deze bezitting te trekken 5).

Eene nieuwe belangrijke aanwinst was het slot Bergedorf. Lübeck kreeg dit met nog andere aanzienlijke inkomsten, t. w. een tol, drie dorpen en het land van Hadeln in pand voor de kapitale som van

spele to Nuchele , de dorpe Kijkebusch'' en zijn aandeel in de „Keilerzee",

Grammenzee, het meer daarbij, den Pigwerling, Ukele en Ylenzee en daarbij Dedemenstorpe voor 960 M. onder voorbehoud van wederkoop zoowel voor den verkooper en zijne erven als voor den bisschop, wiens leen het is: VII, S. '276 ff.

1) 1391. Het goed Horgenbeck van een „knape" voor 390 M.: IV, S. 585.1410. Het goud „to der Murryen, Stockelstorpe" en liet dorp Berghen van de weduwe van een raadslid voor eene eeuwige rente van 50 M. jaarl.: V, S. 357 f., 369 f., 372, 375, 417. 1452. „Dat dorp ton Schretstaken" van den Vicaris der St. Aegidiuskerk : IX, S. 120 ff.

2) Lüb. Urkb., IV, S. 569.

3) In 1342 reeds verpanding van de sluis bij Mölln: Lüb. ürkb., IV, S. 28; de verkoop van de stad: Ib., III, S. 329 ff., 332 ff., 343 f., 376 f., 674 f., 708 f.

4) Evenzoo (maar daar gemeenschappelijk met den Hamburger raadt in het hierna te noemen stadje Bergedorf. Hoe weinig liberaal de stad dergelijke dependentia behandelde, blijkt uit het lange handhaven van 't banmolenrecht aldaar; hoezeer alleen het belang der bezittende stad in 't oog gehouden werd, uit het naijverig vasthouden van het reoht van voorkoop van koren uit de omgeving van Bergedorf voor den daar verwijlenden vertegenwoordiger van Lübeck of Hamburg. Beide rechten bleven nog lang na het einde der middeleeuwen bestaan : Mittheilungen des bist. Vereins f. Hamb. Gesch., X, S. 62, 106.

5) Lüb. Urkb. III, S. 331. Den tol kreeg het eerst later: III, S. 771 ff. In de jaren, waarvan de rekeningen over zijn d. z. 1421, 1423—1430 (VIII, S. 410 ff.), bleef de stad hier gewoonlijk vrij wat beneden. Alleen in 1425 bedroeg de opbrengst meer n.1. 975.6.8 M.

Sluiten