Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd in dit jaar het huis Ten Holten „upgheslagen", d. i. waarschijnlijk, versterkt'). Reeds in 1379 waren schutters en gemeente van Deventer uitgetrokken om daar een schans, een „lantwere" op te werpen. Deze stad schijnt er de meeste moeite voor gedaan te hebben2); zij kreeg de toezegging, dat daar slechts één harer burgers slotvoogd zou zijn3) en tevens mocht zij den tol daar heffen. Na een jaar of twintig, in 1401, kreeg zij het in bezit. De kastelein had groote sommen ten koste gelegd aan de verbetering ervan; in het geheel voor 10(K) oude schilden, en het daarvoor in pand gekregen. Deventer betaalde dit geld terug aan de erfgenamen, voegde er nog 500 schilden bij voor den bisschop en kreeg nu het huis met het weggeld eu het gerecht4). Hoe weinig oorlogzuchtige bedoelingen eene stad met hare vestingen had, blijkt het best uit de voorwaarden, waarop zij deze aan een harer burgers verpachtte. Hij behoefde er maar twee knechten te houden: één voor de beide paarden, die daar gestald waren, en één als poortwachter 5).

De bouw van burchten was in dezen tijd geheel onder de controle der steden geplaatst. Egbert Haecke van Rutenborch kreeg in 1389 vergunning, om zijn slot te herbouwen, mits hij geene andere versterkingen aanlegde dan die er al waren 6). Deze belofte en tevens die, dat hij niets tegen de drie steden zou ondernemen, moest door ieder zijner opvolgers binnen twee maanden na de aanvaarding van 't slot afgelegd worden. Hieraan werd ook later de hand nog gehouden; in 1422 en in 4441 werden oorkonden van dezen inhoud door heeren van Rutenborch aan Kampen, Deventer en Zwolle gegeven7). Met hetzelfde voorbehoud mocht in 1309 het huis te Buckhorst hersteld worden. De muren mochten niet zwaarder zijn dan twee steenen en het keldergewelf mocht maar de helft van deze dikte hebben. Ook hier vinden wij later de belofte vernieuwd door een nieuwen heer van Buckhorst *).

Nog was het niet zoo ver, dat het toezicht op de sloten voldoende was, om het platteland van Overijsel in rust te houden; er lag voor de rustige ontwikkeling van den stedelijken handel een gevaar in, dat een onafhankelijk heer als die van Koevorden zoo goed als geheel Drente in handen had. Toch zou dit vrij zeker niet tot een gewapend optreden tegen hem bewogen hebben, ware het Frederik van Blankenheim niet een doorn in het oog geweest, dat hij over het Noorden van zijn gebied niet meer dan een naam-

1) Cameraarsrek., V, blz. 411 vlgg.

2) Cameraarsrek., VI, blz. '203.

3) Dumbur, Deventer, II, blz. '28 (1382) en I, blz. 501 (1383).

4) Ib., II, blz. 138.

5) Ib., II, blz. 142 vlg. (1447).

6) Analecta, II, blz. 330.

7) Dumbar, Deventer, II, blz. 421 ; V. Hattum, I, blz. 380; Ten Boeoop, blz. 420.

8) Keg. Arob. Kampen, I, n". 288 (1391), 473 (1422).

Sluiten