is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grootc energie en voortvarendheid, door de gunstige tijdsomstandigheden wist te verkrijgen, was tegen den tijd niet bestand; zoodra eene concentratie van alle krachten hierop niet meer plaats had, of niet meer naar willekeur mogelijk bleef, kromp de landsheerlijke macht weer in tot een mooien titel zonder inhoud. Wat evenwel het gevolg was van de oeconomische ontwikkeling van het land, het natuurlijk overwicht, dat daarop door de steden werd verkregen en het plaatsen van de steunpunten voor hare welvaart over eene steeds grootere oppervlakte, dit hing niet zoo zeer af van persoonlijkheden en politieke omstandigheden. Hierin openbaarde zich de stille groei van de organen in het lichaam van het Oversticht. De structuur hiervan was gewijzigd; de poorterijen der grootc steden waren nu de best gevoede en de meest krachtige deelen van het organisme, van wier behoud de levensfuncties der andere leden afhingen en waarnaar deze zich moesten richten.

(3. Pogingen om ter wille van de stedelijke! bedrijven den omtrek te onderwerpen.

Behalve ter wille van hare veiligheid greep de stad ook in in de vrijheid van het omringende platteland ten gunste van de stede1 ij k e nering en de daarop rustende belastingen. De handel trachtte begrijpelijkerwijze naar een stapelrecht in meer of minderen omvang. Eene formeele toekenning daarvan door den landsheer was niet licht te krijgen, tenminste niet voor alle handelswaar. Slechts Dordrecht wist deze te verwerven voor alle goederen, die de rivieren afkwamen, doch dit valt buiten deze beschouwing; voor Zuid-Holland kreeg zij maar voornamelijk den stapel van koren en turf '). Een dergelijk algemeen privilege als Dordrecht ten opzichte van de stroomen had, bezat Naarden voor een deel der Zuiderzee, doch slechts voor één handelsproduct. De visch, die gevangen werd tusschen de Vecht en den IJsel, moest namelijk daar ter markt komen *). Hetzelfde voorrecht genoten nog een paar andere steden, maar over een veel geringer gebied, Gorinchem n.1. voor de viscli' in liet gelijknamig schependom, Woudrichem voor de visch in de heerlijke wateren van den heer Van Altena gevangen. Hierbij moet nochtans in aanmerking genomen worden, dat de beide laatste plaatsen heerlijke steden waren, geen eigen vischwater bezaten:i)

1) Inleiding tot de uitgave der Informacie, blz. XII

2) Privilege van Willem IV, 1342: Van Mieris, II, blz. 656; bevestigd door Willem V, 135o: Ib. blz. 862; door Philips van Bourgondie, 1442: Boerg. Chs vel Van Rijswijk, 68. os-

3) Een vischrecht in de Merwede was den poorters van Gorinohem wel toegestaan tegen vaste vergoeding aan den graaf te betalen: Van Mieris, IV. blz. 219(1412)! In dezelfde brieven ook de stapel verleend. Nog in 1454 klaagt de stad, dat de vissoherij, die elders den steden zelf behoort, bij haar grafelijk domein is: Kemp.,