Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derd hebben. Ja, zelfs was zij niet in staat, die 500 roeden zuiver te houden van wat men nu noemen zou: stille kroegen. In 1524 waren van de huizen, die ongeveer een kwart mijl van de stad op den Hoogen Rijndijk stonden, 17 „biertappen", waar burgers kwamen drinken; voor een tegenwoordig Leidenaar een groot aantal, maar voor iemand, die heden in een streek leeft, waar bier een volksdrank is, zooals in Brabant en Limburg, nog niet zoo abnornaal veel. Niet alleen werd in die herbergen gedronken, maar ook werd vandaar uit bier in de stad gesmokkeld, zei men; men liet nu maar twee daarvan bestaan en tevens werd bepaald, dat binnen 600 roeden buiten de stad even goed bieraccijns betaald zou worden als daarbinnen '). Haarlem kreeg in denzelfden tijd, in 1522, toegestaan, dat er geen bier of wijn getapt, ook geen herberg gehouden zou mogen worden binnen een halve mijl in het rond. Lang niet zooveel als Leiden, dat zeker om zijnen naburen de verzoeking te besparen van een bierhuis te openen, uit voorzorg ook maar hun bier voor eigen gebruik belastte 2). In Schiedam was het meer als in Haarlem, met dit verschil, dat er getapt mocht worden binnen 300 roeden van de stad, maar dan onder accijns 3). Dordrecht daarentegen was den steden ook hierin de baas. Dit hief reeds voor 1444 eigenmachtig één groot per ton bier tot op twee mijlen van de stad. In dat jaar werd haar het recht daartoe in de sententie van Isabella van Bourgondië ontzegd, maar in 14G8 erkende Karei de Stoute het en stond haar toe voor de eerste twaalf jaar het dubbele bedrag te heffen 4). In den tijd van de Informacie betaalde de buitenman van Zuid-Holland boven dit „grootgen van den vate" nog 3 st: per ton, wel is waar veel minder dan de burger, die 10 st., de stedelijke opkooper, die 13 st. en de Dordtsche tapper, die 15 st. van het vat moest geven, maar in een ander opzicht stond de plattelander verre bij den stedeling achter, doordat aan dezen namelijk liet monopolie van de brouwerij was voorbehouden5). Het stadje Heusden daarentegen

1) Handv. v. Leiden, blz. 16 yv.

'2) Handv. v. Haarlem, blz. 222. Hoeveel de stad voor eene, zij het maai" tijdelijke uitbreiding van haar aocijnarecht over had, blijkt in 1411. Haarlem zal Willem VI binnen drie jaar 6000 oude schilden betalen en het krijgt nu daarvoor verlof al hare naburen tot op een afstand van 300 roeden hiertoe te laten bijdragen door op deze de verplichting te leggen accijns te betalen als de burgers (1411): Van Mieris, IV, blz. 187.

3) Doch reeds 1460: Boerg. Chs., blz. 123.

4) V. d. Wall: III, blz. 564, 628. De stad had dus dit recht in veel ruimeren kring en veel vroeger. Misschien was reeds het bevel van Floris in 1284, dat Herbaren van der Merwede, de voogd van Daniël van der Merwede, dezelfde accijnsen zou moeten stellen en geven als Dordrecht (Regest Van den Bergh : II, blz. 584), uitgevaardigd om te maken, dat het platteland niet in 't voordeel zou zijn tegenover de stad.

5) Inf., blz. 516 vlg. De stad eischt van een vat bier, niet in Dordr. gebrouwen 10 st., maar gewoonlijk wordt alleen Dordtsch bier gedronken. De gezworenen

Sluiten