is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huishoudkundige theorie. Ze zeggen daarin, dat brouwerijen, weverijen, looierijen, groot timmerwerk, als sluizen maken, benevens vele andere neringen en ambachten niet alleen in besloten steden gewoonlijk verricht worden, maar ook alleen daar thuis beliooren. In zooverre is dit een merkwaardig stuk, omdat nu het eigenaardige proces van arbeidsverdeeling, dat door de opkomst der steden in de middeleeuwsche volkshuishouding wordt ingevoerd, zoover blijkt te zijn voortgeschreden, dat zich daaruit een oeconomische leerstelling liet opstellen. En van 1531 af heeft deze niet alleen de opvattingen op het gebied der staathuishoudkunde, maar ook de toestanden beheerscht. Van dat jaar af werden de bovengenoemde bedrijven buiten de „besloten" steden verboden en tapperijen, bak- , kerijen of brouwerijen niet dichter dan tot op 600 roeden bij haar toegelaten ').

Buiten Holland en Zeeland heeft er eene gelijksoortige ontwikkeling plaats gehad. Voor Gelre is reeds een gedeeltelijk bewijs daarvoor aangevoerd, maar nergens buiten Holland waren de steden zoo overmachtig, dat zij hunne wenschen tot een regeeringssysteem konden maken. Welke die waren in Utrecht, blijkt duidelijk uit eene „raminge ende overcomen," in een periode van heerschappij der gilden (in 1525) door dezen aldaar gesloten. Ze verlangen „dat men geen neringhe, die ambachten rueren als brouwers*, smeide- ende andere ambachten, die ghilden binnen Utrecht rueren, int lant buyten gemuyrden steden, oeck in enigen cloosteren | binnen der stat of daerbuyten voertaen niet meer doen en sellen mogen dan binnen den vier bemuyrden steden, uytgesondert backers, behoudelicken alle ridderhofsteden, die tochbruggen (ophaalbruggen) hebben, sullen vry syn, mer en sullen niet tappen noch ^ bier vercopen" 2). Dit bleef evenwel een vrome wensch; verder dan de vrijheid reikte de-macht der stad niet. In 1400 was hieromtrent reeds bepaald, dat alle burgers, die een ambachtd eden buiten de vesten, daar tot hun dood mochten blijven wonen en hun bedrijf uitoefenen, maar dat niemand hen in huis en werk zou mogen opvolgen. Zij, die een huurhuis bewoonden, mochten slechts blijven tot hun huurtijd verstreken was 3). Vijf en dertig jaar later was den poorters eenvoudig het wonen in de vrijheid buiten de muren verboden. Alleen de molenaars en na 1463 ook zij, die des zomers de veenen gebruikten voor hooiwinning en graanbouw, zouden daar gevestigd mogen zijn 4).

In het Oversticht hadden Kampen en Zwolle, zooals reeds boven gemeld is, ook voor hun gebied buiten de grachten dergelijke maatregelen getroffen, maar ook zij moesten daarbij blijven staan. Slechts Groningen was krachtig genoeg, om de inrichting van een geheel

1) Handv. v. Leiden, blz. 19 vlgg.

2) Archief v. Dodt v. Flensburg, I, blz. 42.

3) Rechtsbr. v. Utrecht, I, blz. 227.

4) Ib., I, blz. 310 vlg.; Burman, Jaarb., 11, blz. 449.