Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den Haag en van dien naar het Westland een strook van 12 roeden breedte en een paar honderd Meter lengte te annexeeren. Het gaf daar 4000 gld. voor '). Veel meer waren haar nog waard hare rechten over het water, dat haar met de zee in gemeenschap bracht. In 1389 had zij liet recht gekregen zich eene eigen verbinding te maken met de Maas door een kanaal te graven uit de Schie even voorbij Overschie en dat tusschen Schiedam en Rotterdam in de Maas uitmondde. De vrije vaart op de Schie, op het kanaal en het ongehinderde verkeer ernaast werden verzekerd door de bepaling, dat ieder, die poorters of poortersgoed, wanneer ze zich op het water of binnen veertien roeden aan weerszijden bevonden, aanhield, en andere lastige personen te Delft en naar Delftsch recht zou worden gestraft. Alleen wat in Ouderschie voorviel, zou de schout aldaar berechten1). In 112") breidde Jan van Brabant dit privilege nog uit door te bepalen, dat ieder, die binnen veertien roeden van de Vaart woonde, burger zou mogen worden :i). Hiermee was de strook aan beide kanten van den waterweg vrijheid geworden en die vrijheid werd door Philips van Hourgondië, tenminste daar, waar deze in de Maas uitliep, tot 46 roeden aan weerszijden \ erbreed 4). Als een stuk van de stad is dit reepvormig aanhangsel van de vrijheid door de Delvenaars nooit beschouwd. Ze gebruikten van hunne bevoegdheden slechts om zorgvuldig elke poging te verijdelen, die maar eenigszins de voordeelen van hunne communicatie met de zee in gevaar scheen te brengen. Albrecht had reeds vastgesteld, dat niemand zich zou mogen vestigen op minder dan honderd roeden van de vaart, en die er al woonden, zouden slechts „lantneringe" mogen doen; Philips gal de stad het recht om verordeningen te maken op het bouwen van huizen binnen de nieuwe vrijheid. Daarvan maakte zij in den volsten omvang gebruik. zooals blijkt in 1514: aan de commissarissen voor de Informacie werd meegedeeld: „de stede van Delft en wil niet gedoogen, dat men aldaer tymmert" 5). Ook in andere opzichten toonde zij zich tegenover de buurt Delfshaven, die daar toch ontstaan was, verbazend weinig vrijgevig; alles was er op aangelegd om deze klein te houden. De bewoners mochten geen laken

-1) Ib., III, blz. 5.r>3: .,Van den Haage poorthuys uytwaert ter ziecken lieden toe (d. i. tot het Leprozenhuis aan de vaart naar den Haag) ende an beyden syden van de twee weogen 12 roeden breed ende desgelyks also lange ende also breet van den poortliuyse te watersloot uytwaerts" Bovendien mocht de schout misdadigers tot op 20 roeden van de muur vangen en volgens Delftsch stadrecht laten vonnissen.

2) Van Mieris, III, blz. 533 vlg.

3) Ib., IV, blz. 762.

4) Van Bleyswyck, I. blz. 77 vlg. (1451) ; Meylink, Delfland, Bewijsst., blz. /.5 vlg.

5) Informacie, blz. 336. Gaf de stad vergunning, dan maakte ze bezwarende bepalingen; de huizen mochten bijv. maar een zekere geringe hoogte hebben:

Van Bleysw., II, blz. 742.

Sluiten