Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tige neigingen gehoor te geven, op den duur heeft zij te zeer hare staatkundige grootheid gesteld boven haar oeconomisch welzijn. Eene stad was uit den aard der zaak meer ingericht op eene verdedigende dan op eene aanvallende houding. Haar veelhoofdig en wisselend bestuur, hare slechts ten deele uit beroepssoldaten gevormde legermacht waren uitstekend voor de verdediging, omdat ieders persoonlijk gevaar, ieders bezorgdheid voor familie en eigendom en bij velen nog de liefde voor de stad het gemis van eene besliste en consequente leiding en 't gebrek aan militaire oefening ophieven. Doch deze leemten werden steeds meer merkbaar, naarmate de krijgsondernemingen der stedelingen zich verder van de stadsmuren verplaatsten. Groningen ondervond dit in 1498; de gemakkelijkheid, waarmee Fox Friesland ten Westen der Lauwers in bezit kon nemen, bewees wat eene krachtsverspilling het voor de stad geweest was om dat onder zich te brengen.

Waaruit bestonden nu de bezittingen, die de stad in den loop van de 15e eeuw aan zich had weten te brengen ? Als wij ze moeten schatten naar haar onmiddellijke financieele opbrengst, dan hadden zij niet zoo bijzonder veel beteekenis. Uit dat oogpunt hadden de hoogste waarde de landerijen. In het Oldambt had zij die van de Gockinga's, welke door aankoop vermeerderd waren en in 152(5 een omvang van ongeveer 170 morgen hadden. Behalve dat, had Groningen in 1456 van den verarmden edelman Herathema te Eenrum 200 jukken (= morgen) lands gekocht'), welke landen de stad eveneens door nieuwe aankoopen in 1526 uitgebreid en op + 400 morgen gebracht had. Omtrent de bezittingen in Selwert geeft de rekening van 1548 eene bruikbare mededeeling. Het waren blijkbaar de tijnsen, tienden en renten, indertijd behoord hebbende onder het „predium in Cruoninga", door koning Hendrik III in 1040 aan het Sticht geschonken en waarvan de opbrengst voor het Dom-kapittel bestemd geweest was. Dit had die inkomsten afgescheiden gehouden van de hoogheidsrechten aan het „predium" verbondena). In 1400 waren ze met de rechten van bet kapittel door ruiling aan den bisschop gekomen:!). Van

1) Keg., Feith, I, blz. 127, i.a. 145(1, nos. 19. 20.

2) Gron. Oorkb., I, .p>90, 591 : verpachting van wereldlijk gericht en heerlijkheid, uitgezonderd „thijns, tienden en renten", 1371,. Kene bevestiging hiervan voor de weduwe en kinderen van de bezitters sedert 1371, namelijk voor Bwanelt, de weduwe van Godevaert, en Johan ten Ilove, zoon van Godevaert ten Ilove, ook met uitzondering van „tijns, tyenden ende renten" in 1392: Ib II, 837, 842. Verpachting van 2'3 van Gerecht en Ileerljjkheid te Groningen, „mit Wolde mit Gho", behalve „tijns ende tienden, renten ende ander erfnisse" in 1392: Ib., 840, 848. De bisschop zelf had volgens hot leenregister van 1381—1383 maar twee hofsteden met een appelhof in, en slechts de Ilughingetiende bjj Groningen: Ib., 699.

3) Ib. II, 1081, 1094.

l

Sluiten