is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met Groningen doch reeds in hetzelfde jaar schijnen de beide gouwen reden gehad te hebben om zich niet volkomen getust tc gevoelen over die daad, en 28 Dec. kregen zij van burgemeesteren en raad elk de belofte, dat deze hen „nu nog in toecomenden tyden niet verengen nog verkorten en sollen an hoeren olden regten, vriheiten und heerlicheiten, die sie vor desen daghen auer manick veele jaren geliat hebben enz."4), een vreemde belofte aan een bondgenoot, d. i. aan iemand, dien men helpen zal.

Overigens vertellen de oorkonden ons weinig van den wassenden invloed der stad op de rechtspraak. Het verdrag van 1482 3), het z. g. derde verbond, onderscheidt zich zoo goed als niet van dat van 1428, dat door Lemego den naam van eerste verbond gekregen heeft4). Ze komen zoo goed als woordelijk overeen. Kwam men in hooger beroep van het vonnis, geveld door een landrechter, dan zou dit op een der drie eerstvolgende „warven", waarvan er minstens vier jaarlijks in de stad gehouden werden, behandeld worden. De „warven" waren samengesteld uit de hoofdmannen van Groningen, d. i. afgevaardigden van den stedelijken magistraat •'), en landrechters, en de dagen voor de bijeenkomsten werden door deze gemeenschappelijk vastgesteld. Alleen staat er bij — en dit artikel maakt ook deel uit van den brief van 1473 B), het „tweede verbond" (lat de besluiten en vonnissen hunne volle kracht zullen behouden, al mogen er ook nog zoovele leden ontbreken 7). Hierin zal wel voor een groot deel de verklaring liggen van de omstandigheid, waarom sommige onderdeelen van de rechtspraak geheel aan de hoofdmannen kwamen. Dezen waren op de plaats der vergadering, de anderen moesten moeite en kosten maken om deze te bereiken en hoe grooter het aantal zaken was, hoe duurder het verblijf in de stad voor hen werd"). In elk geval het artikel bewijst, dat zij niet geregeld opkwamen. „Updat de warffheren niet tho lange up liore

1) Feith, Register, blz. 65, i. a. 1419, no. 4.

2) Beide oorkonden bij v. Idsinga, Staatsrecht, II, blz. -50 vlg.

3) Bij Rengers, I, blz. 157 vlgg.

4) Lemego, blz. 5'2 en daar noot 3. Het verbond, gedrukt bij Idsinga, 1.1., blz. 350 vlgg., was gesloten tussohen de stad en het Westerkwartier; het nam later ook Hunsingoo en Fivelgoo in zieh op: Feith, Register, i. a. 1434, no. 8, blz. 8o, i. a. 1436, no. 3, blz. 89.

5) S. J. Fockema Andreae, Bijdragen tot de Ned. Rechtsgeseh., IV, blz. 112.

6) Idsinga, 1.1., blz. 403 vlgg. ,

D „Ende wel te warue kornet up den gesatten warffdach, daer salmen wartt mede

holden. Ende wes se sluten ende ordelen, dat sal jnder macht ende van weerden

wesen, ock wo luttiok daer sint.''

8) Een overeenkomstig geval doet zich voor in de geschiedenis van de statenvergadering in Holland. De opgeroepen ridders komen wegens de reis- en verblijfkosten zeer slecht op; vandaar dat er een college van een acht- of tiental ontstaat, en onder Karei V wonen nog maar drie of vier geregeld de vergadering bij De kosten van vertegenwoordiging doen eveneens de kleine steden veel wegblijven, zoodat in de laatste tijden der grafelijke regeering nog maar de zes groote