Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunnen voorzien, al toont nog de lage ligging van den Zuidpiaspolder, hoe diep het veen uitgegraven werd. In 1416 werd tenminste door schout, schepenen en burgemeesters ook een contract gesloten met heer Hendrik van Naaldwijk, omtrent het turf graven door de poorters in diens ambacht'). Dergelijke privileges als Gouda had ook Oudewater 2). Dordrecht had door de welwillendheid van Albrecht beslag kunnen leggen op alle turf, gedolven in den Grooten Waard :i). Gemakkelijker was het, wanneer de stad in de mark hare brandstof vinden kon. Zoo Naarden in de gemeene gronden van het Gooi. Een deel daarvan in het z.g. Hooge Veen werd voor deze stad afgezonderd door de erfgenamen van de gemeente. Wanneer het veen afgegraven was, zouden de landen evenwel weer aan de gemeenschap terugvallen 4). Aan Deventer behoorden landerijen, wier naam Veen, thans Diepenveen, reeds voldoende opheldering geeft omtrent de grondsoort, waaruit zij bestonden en die de stad in twintig „slagen" telkens bij opbod verpachtte 5). Zoo blijkt dan, dat in sommige Nederlandsche steden de behoefte aan brandmateriaal voor de burgers door de stad tot eene publieke zaak gemaakt werd.

Wat in ons land altijd slechts op bescheiden schaal kon geschieden, n.1. het noodige bouw- en brandmateriaal ter beschikking van de inwoners stellen of doen stellen, kon in enkele Duitsche steden op onbekrompen wijze plaats vinden, wanneer men dit mag besluiten uit de enorme uitgestrektheid der „Stadtwaldungen", die in de Forstgeschichte van Schwappach vermeld worden 6). Zoo verwierf Rostock in 1228 reeds meer dan 6000 H.A. bosch. Görlitz had in 1319 het recht ontvangen om hout voor den huizenbouw uit de Gürlitzer heide te halen, kreeg daarbij in 1355 nog het gebruik van een groot bosch, het z.g. Probuswoud en had er in

1) Meylink, Delfland, Bewijsstukken, blz. 395 vlg.

2) Van Mieris, IV, blz. 17 (1405), 914 (1428).

3) Van de Wall, II, blz. 320 vlg. (1370). Het recht werd de stad betwist en zelfs ontzegd in de sententie van Isabella van Bourgondië van 1444 (Ib., III, blz. 563 vlg.), maar toch behouden (Ib„ 111, blz. 576 vlgg.). In 1468 kreeg zij het recht om belasting te heffen van alle turf, in Zuid-Holland gedolven (Ib., III, blz. 628 vlgg.).

4) „Item voordt aal die Stede van Naerden hebben ende houden haren vryen wille mede te doen buyten yemandts toesegghen van den vier Dorpen van Goylandt alle die veenen die gheleghen zjjn in den hooghen veen ende voort alsulcke veen als gheleghen is t' eynden den acker".... volgt de aanduiding, waar dit laatste veen ligt. „Ende als de veenen uytgheghraven zijn, soo sal die bodem ende vullinge van dese voorserheven veenen blyven te legghen tot allen recht sonder arche" (1442): Handv. ende Priv. v. "Weesp, Muiden etc., blz. 52. Het slot is niet volkomen duidelijk, tenzij men leest: tot aller recht.

5) Cameraursrekeningen, Inl., blz. 52. Verder eene verpachting meegedeeld: III', blz. 27 vlg. De stad liet er ook voor zichzelf graven, zeker voor de verwarming van het stadhuis: bijv. 1b. Hl3, blz. 156.

6) Ad. Schwappach, Handbuoh der deutschen Forst- und Jagdgeschiohte (1886), S. 136.

Sluiten