Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechtsstudie ook, vóór alle de vraag naar de begripsbepaling van het positieve recht zelf. In iedere wetenschap kent men de ontmoedigende ondervinding, dat, naarmate dieper wordt doorgedrongen naar hoofdbegrippen, naar grondbeginselen, naar éénheid in het weten, de omschrijving moeilijker, de twijfel grooter, de overeenstemming geringer wordt. De rechtswetenschap schijnt evenwel bijzonder misdeeld: een oppervlakkige blik in de juridische litteratuur, in de tallooze omschrijvingen, niet alleen van de grondbegrippen, maar ook van de begrippen en voorstellingen van het meest alledaagsche gebruik, kan niet anders dan verbazing wekken, dat er nog twee juristen worden gevonden, die elkander begrijpen. Dat niettemin het recht zelf in rustige ontwikkeling voortleeft, is een bewijs, dat het practisch vernuft van den mensch heel wat grooter is dan zijne gave van theoretische reproductie.

Geen natuurrecht", „geen ideaalrecht", „geen philosophisch recht", met die negaties kan men niet volstaan ; positief moet worden omschreven, wat tot het positieve recht behoort. Het pleonastisch bijgevoegde adjectivum voorkomt misschien misverstand, maar geeft weinig of geen richting aan het antwoord; het natuurrecht toch werd en wordt evenzeer als geldend recht gepredikt. Positief zij het recht, niet een antwoord dus, maar eene vraag wordt in die stelling geboden: de vraag naar het herkenningsteeken der positiviteit. De oude strijd om het wezen van het recht is met de pompeuze afzwering van het natuurrecht niet volstreden; de vermindering van den invloed der historische rechtsschool, de ontwikkeling van het publieke recht in de laatste

Sluiten