Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overheidsmacht afgeleid uit en ondergeschikt aan het recht, dat krachtens eigen wezen over individu en gemeenschap regeert. De leer der staatssouvereiniteit tegenover die der rechtssouvereiniteit.

De eerste leer, de macht bron van het recht, is in de litteratuur de heerschende theorie, ofschoon hare consequenties niet altijd met gelijke openhartigheid worden ontvouwd. Hetzij het gezag als door Goddelijken wil aangewezen, of als historisch geworden feit, of als natuurlijke uiting van physieke of psychische overmacht wordt gedacht, steeds is dat gezag, de feitelijk heerschende macht het rechtens niet verder herleidbare prius, dat zijne grenzen slechts kent in eigen inhoud, in het physiek mogelijke — als zijn willen en kunnen het recht schept en handhaaft. Somtijds wordt een persoon, een geslacht, meestal de als persoon gedachte gemeenschap, de staat, als drager van die macht beschouwd. „Das Recht is durch die Staatsgewalt gesetzt, eine Emanation des Imperiums, eine determinirte Escheinung des Willens der Gesammtheit, zwingend fiir die Einzehn, nicht wirksam gegen die Gesammtheit, welche dieser Wille selbst ist" *). De staat wordt mitsdien een „rechtlich unableitbar" wezen, met rechtens onbegrensden werkkring, met geen ander doel, dat hij zich zelf stelt, in gèèn wijze gebonden aan het recht, dat hij zelf schept. In het zintuigelijk waar te nemen feit van deze alles overheerschende macht ligt tevens het gevraagde kenteeken van het positieve bestaan der machtsuiting, het geldende recht.

*) Cfir. Dr. K. Frh. von Lemaykr, Der Btgrift des Rechtsschvtses im öffentlichen Rechte, in Grünhuts Zeitschrift, 1902, XXIX pag. xi.

Sluiten