Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de ziel van den doode voor goed is heengegaan. Wanneer evenwel kan de doodengeest geacht worden te zijn heengegaan? Het gewone antwoord hierop is: zoodra aan de verplichtingen tegenover den doode is voldaan, dat is: met het doodenoffer. Dit doodenoffer werd zonder twijfel oorspronkelijk bij de begrafenis zelf gebracht, zoodat er in dit laatste geval van reden om te vasten geen sprake kan zijn. Is nu toch later de vastengewoonte ontstaan, dan moet dit in onmiddellijk verband worden gebracht met het uitstellen der doodenoffers. want eerst toen dit voorkwam, stelde men zich voor. dat de doodengeest in de woning of in de nabijheid daarvan bleef rondwaren, totdat de nabestaanden hunne verplichtingen waren nagekomen. Het ontstaan van het vasten is dus afhankelijk van het uitstel der doodenoffers.

Bedoelt de theorie van Frazer, dat het geloof aan de aanwezigheid en werking van den doodengeest zuiver primitief is. en dus ook het vasten om de door Frazer genoemde reden, ook dan blijft de vraag onbeantwoord, welken grond men had om te vreezen, dat de doodengeest in de spijs kon zijn en den mensch door het gebruik der laatste zou schaden.

Dit nu had een afdoende verklaring gevonden, indien Frazer de vraag had beantwoord: waarom toeft de doodengeest ? waarom vreest de mensch dezen ? Het antwoord hierop houdt ook de verklaring in, hoe men er toe gekomen is na een sterfgeval te vasten. Het is dan ook zeker geen toeval, dat tegelijk met een theorie van den oorsprong van het vasten, tevens de bespreking van het doodenoffer in dit verband ontbreekt.

4. F. B. Jevons beschouwde het vasten, zooals wij gezien hebben, als onthouding van de aanwezige spijze, omdat deze taboe was. Het hangt er nu van af, wat wij ons bij dit woord hebben te denken. Het is ontleend aan de taal der Zuidzee-eilanders, waar het een groote rol sjieelt, en be-

Sluiten