Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

land", van waaruit haar invloed op het leven der achterblijvenden blijkbaar weinig of niets beteekent. Daarnaast evenwel zegt onze berichtgever, dat aan de „angga" of „ziel" geofferd wordt; dat „de scalp, welke men spijkert op de kist van een overledene, niet anders is dan een offer aan den overledene, in de plaats van de levenden, opdat de ziel, (de) „angga" van den afgestorvene de levenden niet zal kwellen met ziekten." x) De voorstelling, die Kruyt ons geeft van de „ziel" van den afgestorvene, is daarom niet zeer duidelijk, omdat hij ons niet heeft uitgewerkt, wat wij hebben te denken omtrent „voortbestaan, invloedsfeer", e. d.

Deze ietwat vluchtige behandeling spruit voort uit de alles overwegende belangrijkheid, die wordt toegekend aan bedoelden „levensaether". In verband hiermede wordt herinnerd, hoe alleen de mensch een „angga" = ziel heeft, terwijl niet slechts aan dezen, maar ook aan dieren, en alle gewas „tanoana ' of „levensaether" toekomt. 2) De groote beteekenis van dit verschijnsel spreekt zeer duidelijk uit de bizonder belangrijke plaats, die de rijst in den Indischen Archipel inneemt : deze toch wordt in het bezit gedacht van een zeer krachtige „tanoana" of „zielestof".3) Wordt nu die „tanoana" gedood of weggenomen, dan sterft de bezitter daarvan, d. i. zoowel mensch als dier, als plant.4) Sterft iemand evenwel een onnatuurlijken of gewelddadigen dood, dan veronderstelt men, dat een gedeelte der „zielestof" blijft bij haren zetel d. i. den schedel, en speciaal de kruin.5) Dit denkbeeld nu vindt zijn toepassing bij de doodenoffers. Het offer van een mensch bij het graf moet, volgens Kruyt, niet beschouwd worden als een handeling, die ten doel heeft een „ziel" als slaaf in het andere leven mede te geven,6) maar

') A. C. Kruyt, Het koppensnellen der Toradja's, enz blz. 202.

*} Blz 198 v. - Zie aant ») op blz. 46. - 4) Blz. 198, 200, 222.

*) Vandaar de groote beteekenis van deze bij het koppensnellen

•) Blz. 202-3.

Sluiten