Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goden, uit vrees voor verlies van eigen levensaether. Zijn liet in het laatste geval de goden, die de „zielestof" wegnemen, dan zullen — dit volgt, dunkt ons — ook bij sterfgevallen, indien geen offers mochten worden gebracht, de zielen der afgestorvenen in die machtsfunctie optreden. Stilzwijgend komt dus hier aan de „ziel" over de levenden meer macht toe dan aanvankelijk scheen, wat bevestigd wordt door de opmerking, dat de goden eigenlijk zielen van verre voorouders"1) zijn, en dat men bij het graf offert „opdat de ziel van den afgestorvene de levenden niet zal kwellen met ziekten."2)

Zoo is het toch ten slotte de ziel van den gestorven mensch, die de nabestaanden niet wegneming der levensaether, d. i. niet den dood bedreigt, indien zij niet een substituut, d. i. offers geven. Ook volgens Kruyt zelf zijn dus de doodenoffers een middel om den doode tevreden te stellen en hen. van een optreden als kwelgeest af te houden. Legt Kruyt er den nadruk op, dat doodenoffers ten doel hebben eigen „levensaether : te versterken of „vast te maken", wij zouden willen vragen, of ook de meer gewone beschouwing dit niet bedoelde, wanneer zij den nadruk legde op het tot rust brengen van den doode, die, zoolang geen offer gebracht was, gevaarlijk was voor het leven der nabestaanden?3)

Wordt alzoo ongetwijfeld door de verklaring van Kruyt een beter licht geworpen op de gedachten wereld van den primitieven mensch, wachten wij ons voor miskenning der oudere beschouwing. De aanval op de laatste is gerechtvaardigd. in zooverre geen duidelijke voorstelling aanwezig was aangaande bedoelde „zielen", wat dan ook aanleiding moest

') Blz. 196. — h Blz. 202.

") „Der Mensch will etwas haben von den Wesen, die er verehrt, er gibt, urn zu nehmen", W. Bousset, Wesen der Religion, S. 24.

4

Sluiten