is toegevoegd aan uw favorieten.

Het vasten bij Israël

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het sub 1 genoemde stemt overeen met en wordt gesteund door 1 Sam. 31 : 13; 2 Sam. 1 : 12; 3 : 35, waar sprake is van vasten na een sterfgeval.

Het sub 2 beslotene vindt althans geen tegenspraak in het O. T., waar vóór David geen geval van vasten in tijd van ziekte is aan te wijzen. Hieruit volgt, dat Davids wijze van doen voor de zijnen geheel nieuw is. Zoo geeft het zin met Schwally te spreken van een „Discrepanz zweier Zeitalter" in deze pericope. ') Meende Schw. op grond hiervan de eenheid te moeten verbreken, die „Discrepanz" liscbt juist de handhaving der eenheid. Dit blijke uit het vervolg.

De dienaren vragen David opheldering omtrent zijn onge-

') L. n. d. T. S. 35. Dat zoowel Frey als Grüneisen deze uitlating van Schw. misverstaan hebben, springt in het oog. Althans wij verstaan haar anders. Frey zoekt achter de bedoelde uitlating, dat in den ouderen d i. Davids tijd „um den Tod eines so kleinen Kindes nicht getrauert wurde", en dat een latere tijd dit vreemd zou vinden. Daar Schw. even voor de genoemde uitspraak het tractaat Ebel Rabbati citeert (S. 33v) en moeilijk valt te besluiten, dat Schw hieruit de correctie (2 Sam 12: 2lv) zou laten voortkomen, viaagt P rey, natuurlijk het spoor bijster: „welche Zeit hat nun solches Verhalten incorrect gefunden ?" — Dezelfde dwaling begaat Grüneisen wanneer hij (Ahnenkultus, S. 172) ongeveer dezelfde vraag in deze zinsnede neerlegt: „Leider hat Schw. vergessen, uns zu sagen, in welchem Zeitalter nach seiner Ansicht die „Verwunderung der Höflinge»

in die Erzahlung eingeschmuggelt worden sein mag ". Voor

zoover wij zien heeft bij Schw. bij het neerschrijven der uitspraak de gedachte voorgezeten, dat, gezien de beide tegengestelde standpunten ten opzichte van het vasten, door David aan de eene zijde, de dienaren aan de andere zijde ingenomen, deze tot het vermoeden leiden, dat het verhaal niet geheel historisch is, maar wellicht moet beschouwd worden als uitkomst van het streven van later levenden om het vasten na een sterfgeval, met David zelf als voorbeeld, als dwaas en nutteloos te doen uitkomen, en het vasten, in overeenstemming met den geest van latere dagen, alleen waarde toe te kennen, voor zoeverre het is verootmoediging voor God, of middel om Jahwe's medelijden op te wekken. — Zie hierover de verdere uitwerking in den tekst.