Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hetzelfde beginsel ten grondslag ligtJ), laten wij die vergelijking achterwege.

§ 2. De onreinheid van den dood. — Hare gevolgen.

Gedurende den rouw over een doode wordt de betrekking met de godheid tijdelijk verbroken. Ook om deze reden kan het doodenvasten Jahwe niet gegolden hebben. In den talmudisch-rabbijnschen tijd is degene, die over een doode rouwt, ontheven van den plicht tot gebed en onderhouding van andere geboden 2). Wie „zijn doode vóór zich heeft liggen", is vrij van het reciteeren van het schema, van Tephilla eu Tephillim3). Dit onderbreken van de betrekking met Jahwe na een sterfgeval, geldt ook voor den O. Tschen tijd. Het is rechtstreeksch gevolg van den staat van onreinheid, waarin de nabestaande verkeert. Wie met den Heilige in betrekking zal treden, moet rein zijn. De dood nu verontreinigt in hooge mate. ,.Hij, die het lijk van eenig mensch aanraakt, zal zeven dagen onrein zijn", Num. 19 : 11. Niet alleen een lijk, ook een menschenbeen, het graf maakt onrein, vs. 1(5. „Indien een mensch in een tent sterft, dan zal ieder, die de tent binnenkomt, en al wie er in is zeven dagen onrein zijn", vs. 14. Al wat binnen de tent is of er in komt, wordt onrein : meubelen, kleederen, personen, vs. 17. De door een lijk verontreinigde maakt op zijn beurt al wat hij aanraakt onrein, vs. 21. Is dus al wat zich met het lijk in één ruimte bevindt onrein, dan zeker ook elke spijs en drank daar aanwezig.

Onreine levensmiddelen laat men gemeenlijk ongebruikt.

') J. C. Matthes, Rouw en doodenvereering in Israël, T. T. T 1905 blz. 23v., 28.

*) J. F. Schrüder, Satzungen und Gebriiuche des talm rabb Judenthums, Bremen, 1851, S. 559. ') Berachoth 3 : 1.

Sluiten