Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Omdat Israël een aan Jahwe geheiligd volk is, wordt het nuttigen van onreine spijs verboden, Deut. 14 : 1—21; Lev. 11, e. a. Daniël (1 : 8) nam zich voor, zich niet te verontreinigen aan de spijzen en den wijn van de koninklijke tafel. Judith, om zich niet te bezondigen, weigert gebruik van de spijs, afkomstig van Holofernes' disch (12 : 2). Tobias is afkeerig van heidenspijs: in tegenstelling met de andere naar Nineve weggevoerden wil hij dit onreine voedsel niet eten (1 : 11).

Is de Israëliet alzoo afkeerig van onreine spijs, en geldt het in het sterfhuis aanwezige voedsel als onrein, dan is het begrijpelijk, dat men het laatstgenoemde ongebruikt laat. Zoo zou het vasten na een sterfgeval kunnen beteekenen: onthouding van onreine spijs (en drank). Doch Judith heeft voor eigen gebruik reine spijs medegebracht, ook Daniël en Tobias onthouden zich niet volstrekt van alles. Men kan dus verwachten, dat, indien de reden der onthouding na een sterfgeval gelegen is in de onreinheid der spijze, men geen bezwaar zal hebben tegen reine spijs. In de woning is die evenwel niet aanwezig; alleen van elders is ze te bekomen. Werkelijk zijn de bewijzen bij te brengen, dat de nabestaanden van elders aangebracht rein voedsel nuttigen. Zij zijn neergelegd in Hos. 9:4; Jer. 16 : 7; Deut. 26 : 14 en Ezech. 24 : 17, 22. Ongelukkigerwijs zijn de eerste twee plaatsen corrupt en is men het over den zin van geen der teksten volkomen eens. Scliwally1) vond in alle plaatsen het doodenoffer vermeld; Frey2) zag in Jer. 16:7 het lijkmaal, in Deut. 26 : 14 le lid het treurbrood, 3e lid het lijkmaal, in Ezech. 24 : 17 weder het brood bestemd voor een ,,Trostmahl", en in Hos. 9 : 4 het treurbrood. J. C. Mattlies 3) oor-

1) Leben n. d T., S 22, 23, 25.

Tod. Seelengl. u. s. w., S. 80, 117, 126, 174.

*) Theol T. 1P00, blz. 202v.

Sluiten