Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deelde, dal .Jer. 16 : 7 op liet doodenmaal, vs. 8 op het lijkmaal wordt gedoeld, zag in Deut. 26 : 14a indirekt liet lijkmaal, 14c het doodenmaal aangeduid en beschouwde Ezech. 24:17, 22; Hos. 9:4 als getuigenissen voor het lijkmaal. Grüneisen1) eindelijk meent, dat in Jer. 16:7 sprake is van een troostgave aan de nabestaanden in dagen van rouw, dat het Ezech. 24 : 17, 22 bedoelde treurbrood reine, Hos. 9 : 4 onreine spijs is, dat uit Deut. 26 : 14 kan worden afgeleid, dat men in rouw onrein voedsel gebruikte.'

In het algemeen genomen heeft Gr tineisen juist gezien. Overal, waar sprake is van treurbrood (Ezech. 24 : 17: brood der lieden), moet de gedachte aan hetzij doodenmaal, hetzij lijkmaal op zijde worden gezet, vg. de uiteenzetting van Grün ei se n op dit punt, Ahnenkultus, S, 130 f. Doch ook de onderstelling, dat treurbrood ergens onreine spijs is, moet worden prijs gegeven: uit de genoemde teksten kan en mag niet anders worden afgeleid dan dat na een sterfgeval door de achterblijvenden treurbrood, d.i. rein voedsel, werd gegeten.

Ezech. 24 : 15v. beveelt Jahwe den profeet om, wanneer hem „de lust zijner oogen (d. i. zijne vrouw) zal zijn weggenomen, geen rouw te bedrijven, niet te weenen, geen traan in zijn oog te laten komen. Zwijgend mag hij zuchten, zonder misbaar te maken, moet zijn tulband op het hoofd binden, enz. en mag geen c<»jn an< eten. M. a. w. in tegenstelling met de gangbare gewoonte wordt hem verboden de rouwgel,ruiken in acht te nemen. Tot deze behoort elders ook het vasten. In gewone omstandigheden komen dus bij gelegenheid van' overlijden het vasten en het eten van n 'S naast elkaar voor. Blijkt hieruit dus, dat het vasten niet zoozeer bestaat in onthouding van alle spijs, en werd het boven reeds waarschijnlijk, dat het vasten in verband staat

') Ahnenkultus, S. 133—136.

Sluiten