Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deut. 26:14 besluit de Israëliet, die in liet derde jaar den tiend heeft afgezonderd, zijn verklaring voor Jahwe met de woorden: ,,ik heb van het heilige niet aan een doode gegeven (no^)," een uitspraak, waaruit duidelijk blijkt, dat men gewoon was den doode van spijze te voorzien.

Tobith 4 : 17 : ') : ïx%et>v tcvc xprcuc tc-j «ri tov t&Cpov tüv hxaiuv vm\ (w roïe xpxptxteïi: ,,stort uwe spijzen (brooden) rijkelijk uit op het graf der rechtvaardigen en geef ze niet aan de zondaars." Ook in dit vers hebben sommigen weer meer gezien dan er staat. Frey e. a. vonden er het lijkmaal terug, op grond van 't gebiuik \ an In den zin van Trspi'hsmvn = lijkmaal

komt het volgens Fritzsche slechts voor bij Homerus en Hesiodus. Bovendien moest er in dat geval niet èiri, maar sU tot t. staan3). I'ritzsche, die afdoende aantoont, dat hier geen sprake is van een lijkmaal, verkeert zelf in de dwaling, dat dit vers zou beteekenen: „bring beim Tode der Gerechten den Hinterlassenen Hülfe und Trost" 4). Deze opvatting, welke reeds Grotius was toegedaan, tracht liij aan te bevelen door een beroep op Sirach 7 : 33 (beneden), m. a. w. hij ziet hier gezinspeeld op wat wij het treurbrood noemden, locli schrijft hij : „Am einfachsten könnte es scheinen an die heidnischen xox) zu denken, an die Sitte den Todten Speisen zur Nahrung an die Graber zu stellen", waarbij bij dan nog wijst op Ovid. Fasti 2, 560: nunc posito pascitur unilira cibo. Ilij verwerpt deze opvatting echter, omdat hij meent, dat geen enkel voorbeeld aanwezig is, waaruit kan blijken, dat de Joden deze doodenverzorging gekend hebben. Dit argument heeft geen waarde. Eerstens is het een voor-

') Lat. overzetting is wel niet anders dan vrije vertaling: „funde vinum tuum et panem tuum ...of „frange panem tuum et funde

vinum " *) Tod. u. s. w. S. 115.

') Kurzsefasst.es exeget. H.B. z. d. Aprocryphen d. A. T. 1853, II, S 45 f. *) 1. c. S. 46.

Sluiten