Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oordeel, den duidelijken zin van den tekst niet te willen aanvaarden, omdat geen parallellen aan te wijzen zouden zijn. Maar ook het laatste is onjuist. Niet slechts Deut. 26 : 14c, maar ook straks te noemen plaatsen wijzen uit, dat in het Jodendom de verzorging van den doode met spijs (en drank) bekend is geweest. ,.Het rijkelijk uitstorten van spijzen op het graf der rechtvaardigen", dat hier als een goede gewoonte wordt aangeprezen x), is niet anders dan het dood enoffer, of gelijk J. C. Mafthes het noemt, het doodenmaal 2), in afgesleten vorm.

Sirach 7 : 33 luidt :

'n ^2 'jfiS jna jn %xptc 3«,<4«TSf fax\m ttxvtóc £mvtss

ion y:an naa cji y.xi sir) vsxpx ,v.£j x-kokx} vTfc 'xxpiv.

De Gr. t. heeft in pl. v. jn, jn gelezen 3). Geef een geschenk aan iederen levende (d. i. wees weldadig jegens...), en onthoud ook den doode uw gunstbewijs niet." Fritzsche, die alleen den Gr. t. kende, heeft zich moeite gegeven, dit vers op soortgelijke wijze te verslaan als Tob. 4 : 17. Hier zou iir) (ysxpcj:) niet beteekenen: in honorem, erga, propter, maar: bij, wat dan zoo verstaan moest worden, dat daarbij aan de begrafenis werd gedacht4). De Hebr. t. laat echter geen twijfel over. „Onthoud den doode niet "ten"- 't Laatste subst. loopt parallel met jna- Hier is dus sprake van een gunstbewijs, een gift aan den doode. Hoewel de bewijzen ontbreken, ligt het voor de hand, hier te denken aan het boven reeds genoemde spijzigen van den doodengeest. I. Levi8) verzekert: ,,Le Talmud appelle „charité" les devoirs rendus aux morts", Sota 14a, Ber. R. 96.

') Zoo H. Oort, Theol. T. 1881 blz. 35B.

•) Theol. T 1900 blz 199 v.

3) vg. de aanteekening in de uitgave van J. Si r ach, Hebr., door I. Levi.

4) Kurzg. exeg. H.B. z. d. Apoeryphen, V, t.p. Vg. aant. 1.

Sluiten