Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze dichtstukken het probleem van ps. 73 e. a. ten grondslag: hoe do ellende der vromen naast den voorspoed der goddeloozen te rijmen met Gods gerechtigheid. Gelijk in ps. 73 weten de dichters geen andere oplossing dan met stelligheid te gelooven aan de eindelijke redding der geloovigen en den smadelijken ondergang hunner vijanden. Maar juist omdat zij zulk een gericht Gods zoo zelden voor oogen hebben, staan in menigen psalm vertwijfeling en geloofsvertrouwen onmiddellijk naast elkaar.

De ook in deze psalmen verwachte oplossing van het probleem gaat van de veronderstelling uit, dat het den Jood, die Gods Wet onderhoudt en zich stelt in Zijnen dienst, ook uiterlijk in de wereld voorspoedig moet gaan. Het geloof, dat dit eindelijk ook zoo zal zijn. is de voorwaarde voor hun trouw aan Jahwe en behoedt hen tegen algeheele vertwijfeling.

Het gebrekkige dezer oplossing staat in natuurlijken samenhang met der Joden godsbegrip en hunne levensbeschouwing. Het Christendom bleef het voorbehouden, tot het besef te ontwaken, dat God ,,zijn zon doet opgaan over boozen en goeden, dat Hij regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen." Matth. 5 : 45, en dat uiterlijk en lichamelijk leed niet altijd door God gezonden wordt als straf voor bedreven zonde, Luc. 13 : 1—5. In het Christendom zijn de zegeningen Gods, die der vromen deel zijn, principiëel losgemaakt van voorspoed en uiterlijk welzijn („Mijn koninkrijk is niet van deze wereld"). In het Jodendom der psalmisten evenwel nog niet. Hun godsbegrip is nog niet geklommen tot de hoogte der Christelijke Gods-gedachte. Zij denken zich Jahwe nog te zeer als God in den hemel tegenover de wereld, die met machtige hand, zoo hij wil, kan ingrijpen in het menschenleven en die op wonderdadige wijze zijn knecht zou kunnen verheffen en den vijand vernederen.

In noodzakelijken samenhang met die onvolkomen Godsvoorstelling staat hunne levensbeschouwing. Is de trouw

Sluiten