is toegevoegd aan uw favorieten.

Het vasten bij Israël

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

synagogen, op den 2den en oden dag gedurende het gansche jaar plaats vinden, kan men bij analogie besluiten, dat de hierbedoelde onthouding eiken Maandag en Donderdag werd in acht genomen. Wil men nu hier denken aan door Farizeën zonder bepaalde aanleiding beoefende vasten als verdienste lijk werk, dan is dit in tegenspraak met het feit, dat de Farizeën niet het geheele jaar door op Maandag en Donderdag vastten, Taan. 12a. Maar bovendien is de benaming na'ï jvjyn ter aanduiding van private vasten al te vreemd. — In de tweede plaats zou echter dit vers kunnen doelen op de eerste regenvasten, die, hoewel door enkelen betracht, toch een gemeentevasten is. Het bezwaar, dat dan slechts enkele Maandagen en Donderdagen van een bepaald jaargetijde met de bepaling bedoeld zijn, zou men kunnen weerleggen met de opmerking, dat in hetzelfde vers het lezen der Esterrol wordt vermeld, wat toch eveneens slechts op eenige weinige dagen van het jaar plaats had. Doch al kan de uitdrukking gemeentevasten wijzen op de eerste regenvasten, men zal hier in T. Taan. 2 : 4 daaraan toch niet moeten denken, te minder, omdat vs. 4, noch omliggende verzen, dezen uitleg aanbevelen.

Beschouwt men evenwel de verzen 3 en 4 in verband met elkaar, dan wordt aanstonds duidelijk, niet slechts wat ,.gemeentevasten" hier wil zeggen, maar ook op welke onthouding wordt gedoeld.

In vs. B wordt o. a. van de anschë maamad gezegd, dat het hun, evenals vóór den val van stad en tempel, ook na de verwoesting van het heiligdom verboden is zich te scheren en hunne kleederen te wasschen; dat R. Josë van oordeel is, dat zij wegens hun rouw het gebruik niet meer behoeven in acht te nemen. Behalve het niet scheren en niet wasschen der kleeren (M. Taan 2 : 7), werd door de anschë maamad tijdens hun diensttijd van Maandag tot Donderdag onthouding van voedsel in acht genomen. Zoolang de tempel stond, trok