Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 : 3 verschillend oordeelt, en dat in vs. 3 het oordeel, dat op den 2den en 5den dag der week moet worden gevast, geen tegenspraak vindt1).

Hoe het komt, dat T. Taan. 2 : 4 en elders telkens slechts sprake is van vasten op Maandag en Donderdag en niet van onthouding van Maandag tot Donderdag, gelijk oudtijds de duur der vasten van de anschë maamiid was, is gemakkelijk te verklaren. Het is hekend, dat in oud-Israël de termijn van rouw, dus ook die der vasten, gewoonlijk een week was. Nu duurt de onthouding der anschë maamad van Maandag tot Donderdag, hoewel hun diensttijd van sabbath tot sabbatli loopt. Daar M. Taan. 4 : 3 uitdrukkelijk zegt, dat zij ..Vrijdags niet vastten ter eere van den sabbath en Zondags niet. om niet van uit rust en lust over te moeten gaan in moeite en vasten'", ligt het vermoeden voor de hand, dat de termijn van vasten oorspronkelijk een week was, maar tot vier dagen is ingekort ter wille van den sabbath. Zou het nu niet kunnen zijn, dat, hoewel de officieele duur van den vastentijd vier dagen was, feitelijk de eerste en de laatste (Maandag en Donderdag) de belangrijkste vastdagen waren of werden? Ook bij Paschen en Pinksteren worden alleen de eerste en de laatste dag als volle feestdagen gevierd, terwijl van den

') T. Taan. 4 : 6, dat woordelijke gelijkenis met T. Taan. 2:3 vertoont, luidt: „ . • . die dagen is het verboden te rouwen en te vasten, zoowel na de verwoesting van den tempel als toen hij nog niet in puin lag; E. José zegt: na de verwoesting is het geoorloofd, omdat zij in rouw zijn." Welke dagen bedoeld zijn, is niet duidelijk. "Wellicht de dagen der houtleverantie, waarover in het voorafgaande vers gesproken is — Men kan evenwel, vooral om de gelijkenis met T. Taan. 2:3 ook denken aan den 2,|<J" en 5dei' weekdag. In dat geval echter is het vers met T. Taan. 2 : 3 eenigzins in strijd; wat niet wegneemt, dat het dan, evenals deze tekst, getuigt voor het latere gebruik op den 2den en 5'Jen weekdag te vasten en te rouwen. — In de derde plaats kan gedoeld zijn op de vier vastendagen : 10 Tebeth, 17 Tammuz, 9 Ab en 3 Tisehri, omdat daarover in het onmiddellijk volgende, zelfs nog in hetzelfde vers gesproken wordt, vg 4 : 14.

Sluiten