Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog beneden de beteekenis van de Christelijke onthouding blijft. Immers terwijl aan de ééne zijde het vasten der Apocalyptici nog niet om zijns zelfs wil wordt betracht, maar evenals de historisch voorafgaande onthouding in acht genomen wordt ter bereiking van iets anders, zoodat zij in dit opzicht nog gelijkenis vertoonen, aan de andere zijde vasten de Apocalyptici niet om uiterlijk gunstbetoon aan de godheid te ontlokken, maar om inzicht of kennis.

De aangegeven wijziging in beteekenis van den ritus is in de gegevens zelf gemakkelijk waar te nemen.

In Hfst. III is meer uitvoerig betoogd, dat de psalmisten door de herhaaldelijke en gestrenge onthouding zich in plaats van bevredigd, in toenemende mate onvoldaan moesten gevoelen. Ging men van de gedachte uit, dat. hoe dieper men zich voor God verootmoedigde, men des te meer de hoop mocht voeden, eindelijk door Hem te zullen worden gezegend, de verwachtingen tenietdoende ervaring leidde tot twijfel aan de waarde der vele onthouding, hoe meer zij werd in acht genomen. Omdat de tot het uiterste gevoerde vasten de begeerde uitwerking miste, moest de ritus, om in stand te blijven, niet meer om uiterlijk voordeel, maar met andere bedoeling worden betracht. Die andere beweegreden werd evenwel door de betrokken personen niet met opzet gezocht, maar deed zich van zelf voor.

Het is bekend en reeds elders in herinnering gebracht, dat opzettelijke verzwakking van liet lichaam den geest tijdelijk een hoogere spankracht verleent. De door langdurig vasten, bidden en nadenken overspannen mensch meent in zijn ongewone helderheid van geest dingen te zien en klanken te hooren, welke door een normaal gestel niet worden ervaren. De natuurlijke samenhang van onthouding van voedsel en den toestand van geestverrukking nu blijkt hier in de geschiedenis \an het vasten van groote beteekenis te zijn.

Na zijn langdurige onthouding kon de psalmist klagen:

Sluiten