Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lxii

Zijn Geschiedkundig overzigt lijdt aan eene groote mate van onevenredigheid. Zoo uitvoerig en in details afdalend, als hij in de beschrijving van den ouderen tijd is, zoo kort, te kort, is hij waar het betreft de 18de en 't begin der 19de eeuwen. Wellicht heeft hem, bij zijne andere bezigheden ten gouvernemente de tijd en de gelegenheid ontbroken om dezelfde uitvoerigheid waarmede hij het werk had op touw gezet, ook bij de voleindiging ervan aan te wenden. Te betreuren is dit, omdat hij geen opvolger heeft gehad en zijn Geschiedkundig overzigt nu nog de vraagbaak is voor ieder, die zich omtrent Drente's geschiedenis op de hoogte wil stellen.

Magnin meende, niet ten onrechte, dat iemand, die zooveel arbeid leverde, eene betere bezoldiging waard was, dan hij als adjunct-commies op de provinciale griffie genoot. Hij richtte zich daarvoor tot den Minister van Binnenlandsche Zaken die 't advies inwon van den gouverneur. Deze stelde bij zijne 'missive d.d. 15 April 1844 No. 64 Kabinet voor, aan Magnin uit de post der staatsbegrooting „Kosten voor het archief der provincie" eene gratificatie toe te kennen, welk denkbeeld bij den minister bezwaar ondervond. Deze achtte beter, dat de Provinciale Staten agnin zouden aanstellen tot „provinciaal archivist", onder toekenning eener bezoldiging uit de provinciale fondsen, in welk geval hij daarnevens „eenigerlei toelage" uit 's rijks kas in uitzicht stelde. Overeenkomstig den gegeven wenk stelden Gedeputeerde Staten bij missive d.d 25 Juni 1844 N®. 16 aan de Staten de bedoelde aanstelling van Magnin voor, met behoud zijner functie van adjunct-commies, tegen een jaarlijksche bezoldiging van ƒ150. , wanneer door het rijk een gelijk bedrag zou worden toegekend «) De commissie uit de Staten adviseerde gunstig op

') De overweging in de missive van Gedeputeerde Staten luidde:

„Het is TJEdelGrootachtbaren bekend, dat reeds eenige jaren geleden de „oude archieven ter griffie van het gewestelijk bestuur, welke in vroege„ren tijd door elkander en in wanorde waren geraakt en vervolgens met „stukken van latere dagteekening vermengd en in dien toestand waren verbleven, door den heer Magnin met veel moeite en opoffering van tyd zyn „geschift, geclasseerd en in zoodanigen staat gebracht, dat dezelve thans „naar eisch kunnen worden geraadpleegd en daarvan een doelmatig gebrnik „kan worden gemaakt; - alsmede, dat de heer Magnin daarna zich onledig

Sluiten