Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belangstelling der gewestelijke regeering niet alleen voor hare eigene archieven maar ook voor andere. Hoewel het voorbehoud niet wordt gemaakt, zal de bedoeling der bepaling wel geweest zijn, dat de archivaris zijne zorgen slechts zou uitstrekken tot archieven in de provincie; voor de archieven elders toch was de hulp van andere archivarissen wegens hunne meerdere kennis der plaatselijke toestanden enz. voor de hand liggend. Te betreuren is het alleen, dat den Drentschen archivaris geen hulp voor de gemeentelijke en andere archieven is gevraagd en dat deze dus tot later moesten wachten, toen daaromtrent door de rijksregeering in 1877 weder inlichtingen werden gevraagd.

Het uitvoerigst is de instructie d. d. 1846 gewijzigd met betrekking tot het gebruik maken van het archief, de onderzoekingen en nasporingen en 't verleenen van afschriften. Hier kunnen wij vaststellen den invloed van de bepalingen, voor het Rijksarchief uitgevaardigd bij koninklijk besluit d.d. 26 Juni 1856 N°. 79, waarvan vele voorschriften mutatis mutandis woordelijk zijn gevolgd.

De archivaris mocht het gebruik der archieven veroorloven slechts aan „hem bekende en vertrouwde personen die in het „algemeen belang nasporingen wenschen te doen." Meende hij „de toelating niet met genoegzame zekerheid te kunnen vergun„nen," dan verwees hij den aanvrager naar Gedeputeerde Staten, aan wie hij zijne bezwaren „onverwijld" mededeelde, opdat dezen met kenDis van zaken zouden kunnen beslissen (art. 12).

Wie werd toegelaten mocht slechts „in het locaal der archie„ven of een ander daartoe aan te wyzen vertrek" gebruik maken van de verlangde stukken, die van te voren moesten worden voorzien van het stempel der provincie; van de registers en inventarissen kon men eveneens inzage ontvangen. Het gebruik werd gemaakt onder toezicht van den archivaris, die destukken terstond na gebruik op hunne plaats deed bergen (art. 13).

Geen stuk mocht worden gebracht buiten 't locaal, tenzij Gedeputeerde Staten daartoe machtiging hadden verleend en 't stuk was gestempeld; de aanvrage om bedoelde machtiging moest de archivaris doen vergezeld gaan van zijn advies (art. 14). Het uit te leenen stuk werd van te voren ingeschreven in een register, met vermelding van den datum van afgifte en

Sluiten