Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

middelen moest genieten. Drente moest nu toegeven, omdat het van belangrijke inkomsten verstoken was; op den buitengewonen landdag van 12 Januari 1694 werd besloten de verdeeling van 1611 tot grondslag te nemen, terwij) in verband met de afwisselende opbrengst de Staten-Generaal steeds */8 daarvan zouden ontvangen. 18 Februari d. a. v. hief de Raad van State het arrest op de generale middelen van Coevorden op. — De stukken over 1684/94 vindt men in een tweeden bundel.

Doch beslist was de zaak nog niet. Dit bleek toen in 1699 Drost en Gedeputeerden het verzoek ontvingen om betaling eener assignatie uit de achterstallen van de 500 gulden 's maands. Naar aanleiding van wat daarover vroeger was voorgevallen, achtten Drost en Gedeputeerden het noodig, de beslissing aan Ridderschap en Eigenerfden over te laten. Toen herleefden weder de oude geschillen. Ridderschap en Eigenerfden weigerden betaling. Wederom briefwisseling, wederom een Drentsche commissie naar 's Gravenhage, toegerust met een omvangrijken bundel stukken tot staving van Drente's bewering. Ook nu werd de zaak ten principale niet uitgemaakt. Volgens resolutie der Staten-Generaal d.d. 19 Januari 1701 zou Drente, wanneer het de assignatie voldeed, niet. verder met assignatiën op de genoemde achterstallen belast worden, voordat nauwkeurig was uitgemaakt, „hoeveel de landschap „daarop nog schuldig is, en of, en hoever, deselve soude mogen „te hoog aangeslaagen wesen, ter oorsake dat de middelen van „Coevorden geen vyffhondert gl. ter maand souden gerendeert „hebben."

Dat in deze bundels in later tijden geen stukken zijn bijgevoegd, is niet zeker. Tevens valt op te merken, dat van de stukken, door de Drentsche gecommitteerden in 1693 en 1701 mede naar 's Gravenhage genomen, enkele nummers ontbreken, die misschien later in andere bundels zijn gevoegd. Zoo van 1693 N08. 4, 5, 7, 10, 11, 13; — van 1701 Nos. 2'2—7, 3—8 (decharges over 1611 —1689, in dezen inventaris gedeeltelijk vermeld onder N°. 461 (afd. Liquidatie met de generaliteit)), uit N°. 15 „de oude deductie", uit N°. 17 de 3 origineele declaratiën van Drente, door de generaliteits-rekenkamer „gevalideert" op 12 October 1668 en (2) op 28 Januari 1682 (Inv. Kos. 490 en 492 (afd. Liquidatie met de generaliteit)), N°. 18 (welke stukken blijkens aanteekening op den aanwezigen omslag aan den heer Slinqelandt werden afgegeven), N°. 19 (resol. van de Staten van Overijsel d.d. 25 Maart 1693), en N°. 22 („Praeseance vis Eeck"). — De inventarissen der stukken,

Sluiten