Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

110. 1548, Augustus 15.

Theodericus Harderwick oorkondt, dat, in tegenwoordigheid van Clawes Fresen drost op Lierordt, Hindricus Maech pastoor te Midlinge en Hindrick Aleken te Halthe getuigden, dat die van Valthe in Oringe-carpell nimmer aanspraak maakten op de gemeene buurmarke te Roeswinckel; dat de Valters en Roswinkelers steeds hunne eigene omtuinde akkers hadden (de laatsten tot op den Noerdtdick); en dat hij (Maech) indertijd eigendom bezat zich uitstrekkend over 't gansche moer tot aan 't Musselbroeck.

Met ondergeschreven bevestiging hiervan door Clawes Friese.

anno 48 am 15 Augusti.

Oorspr. (Inv. N°. 229 (afd. Limieten)). Met onderteekening door Th. H. en onder een papieren ruit opgedrukt zegel van C. F.

111. 1548, November 12.

Robert de bouloigne, raad en ontvanger-generaal der financiën des keizers, geeft aan Bartholomeus van Coelen, griffier van Ouerijssel, kwijting wegens de betaling van 326 pond 15 stuivers 3 penningen als 3/6 in de bede (ayde), den keizer door Drente over 1537 toegestaan.

Oorspr. (Inv. N°. 198 (afd. Privileges)), onderteekend door de Boüloiqne en 4 anderen.

112. 1549, Augustus 10.

Menno Houwkrda hoveling en redger ten Damme oorkondt, dat Johan Roswinckell op vordering der gemeene meente van 't kerspel Roswinckell getuigde, dat de landen tusschen Roswynckell en Nordyck zijn „beslagen unnd bepaelde vrye acker„landeen dat de pacht, door de buren van Roswinckell opgebracht aan die van Werdinghe, gaat uit hunne landen over die Nordyck en niet uit de door hen bewoonde landen; en dat die van Roswinckell als hun eigendom plachten te gebruiken de landen tusschen den Mussle en Roswinckell.

Anno etc. XLIX am dage Laurenty martyris.

Oorspr. (Inv. N°. 231 (afd. Limieten)). Met onder een papieren ruit opgedrukt zegel van M. H.

118. 1549, Augustus 10.

JOACHIMUS SCHUTTORPIUS, pastoor ten Dammen en commissaris

Sluiten