Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niederlangen, 1785 & '87 (I. 347

noot).

NB. Vergelijk Langen. Nienoord, de — (Nienoort, Nye-

noert), 1768 (I. 306 noot) ; —, heer van 1576 (I. 293), 1582 (I. 1040), 1677/8 (I. 670), 1686/7 (]. 542 noot), 17051802 (I. 306).

Nietap (Nyentap, Nijtap), 1683— 1759 (I. 304), 1794 (I. 619), 1808 (I. 1741 noot c).

Nieuwe Huizen, de —, te Assen,

1809/10 (I. 1594).

Nieuwe sluis, de —, bij Zwartsluis, zie op Zwartsluis.

Nieuwe vaart, de —, zie op Hoofdvaart.

Nijelandt, het —, in de marke van

Weerdinge, 1631 (I. 693). Nyemegen, zie op Nijmegen. Nyenhuus, zie op Neuenhaus.

Nyen Lichte, prior en convent v. h. H. Kruis-klooster ten — alias Apel, 1471 (R. 89). NB. Vergelijk ter Apel. Nyenoert, zie op Nie.ioord. Nyensleek (Nijensleek), 1610 (I. 1324), 1632/49 (I. 239), 1639/40 (I. 241), 1650/6 (I. 243); —, marke van —, 1650 (I. 1139); - , 'i Westeinde van —, 1632/49

(I. 239 noot).

Nyentap, zie op Nietap.

Nyerborch, slot ter —, 1495 (R. 93).

Nijeveen (Nyveen), i601 (I. 366 noot), 1635 (I. 368 noot), 2de helft 17de eeuw (I. 1120), voor 1661 (I. 1119 noot), 1776/7 (I. 903), 1780/1 (I. 1126), 1795/7 (I. 887 noot);

—, gemeente, 1812 (I. 1706 nooi, 1812/3 (I. 1667);

—,schulte van —, 1811 (I. 1694 noot) ;

—, commissie v. d. gewap. burgermacht van —, 1797/8 (I. 1383 noot).

Nijeveensche grift, 1774 (I. 1336).

Nylaude, 1745 (I. 225).

Nijmegen (Nyemegen), 1573 (R. 141), 1726/7 (I. 527).

Nytap, zie op Nietap.

Nyveen, zie op Nijeveen.

Nodervelt, zie op Noordenveld.

Noerdtdick CNordyck, Nortdyck, Noerdick), de —; bij Roswinkel, 1548 (R. 110), 1549 (R. 112, 113).

Noerthagen, de —, in de Emmer maden, 1632/3 (I. 695).

Noeten-arve, te Colderveen, 1608 (I. 97 noot).

Noordbarge, 1696—1700 (I. 834 noot).

NB. Vergelijk Barge.

Noordenveld (Nordenvelt, Nodervelt, Noordenvelt), dingspel, 1591 (R. 154), 1611 ? (I. 1058 noot), 1627 (I. 1071 noot), 1635 (I. 368 noot), 1672 (I. 1330 noot), 1787 (I. 1243), 1794 (Inl. blz. XXXII);

—. commissaris v. d. deken v. Drente in —, 1508 (R. 97) ;

—, pachter v d. impost v. d. bijen voor —, 1704 (I. 287 noot).

Noordersingel, te Assen, z.j. (Inl. blz. LXXXIX).

Noordlaren (Nortlaren), 1680/4 (I. 301).

Noordsche Opgaande, het —, begin 19de eeuw (I. 1515).

Sluiten