Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleiding.

„Het sal eenighen oft veelen verwonderen (acht ick) dat dusschen Boeck wordt ghemaeckt / en soo veel vlyt en moeyte toegheleyt deser stoffen halven / die misschien oft ghewis / vaiv yemandt te slecht oft gheringhe gheoordeelt soude moghen worden."

Minder met het oog op het onderwerp en de stof, dan wel wat de bereikte resultaten aangaat, zou ik deze woorden van van Mander tot de mijne willen maken. Want zeer hoog zal zeker de verwachting gespannen zijn, nu iemand meent een antwoord te kunnen geven op de reeds zoo dikwijls gestelde vraag: welke toch van Mander's bronnen geweest mogen zijn?

Deze vraag werd reeds, doch zoover ik meen slechts voor een klein deel, beantwoord, nl. wat de gedrukte bronnen betreft: reeds wisten wij, dat Vasari, Vaernewijck en Lampsonius door van Mander geraadpleegd werden; doch welke rol de ongedrukte bronnen in de wordingsgeschiedenis van de „Levens der Nederlandsche Schilders" gespeeld hebben, werd tot heden nog niet nagegaan. Men wist alleen, dat aan de mondelinge overlevering een voorname plaats moest worden ingeruimd.

Vooreerst heb ik nu getracht alle plaatsen op te sporen en volledig weer te geven, waar sprake is van ontleening aan een gedrukte bron. Ook heb ik gemeend te moeten wijzen op bronnen, die van Mander öf onnauwkeurig raadpleegde en niet geheel uitputte, of geheel ter zijde liggen liet, hoewel deze hem

i

Sluiten