Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit is alles, wat van Mander van zijn reis naar en door Italië vertelt. Elders kunnen wij vinden, welke kennissen hij aldaar gemaakt heeft. Vooreerst in de „Levens der Nederlandsche Schilders" fol. 230a: „Daer is oock te Room geweest in mijnen tijt een uytnemende fraey jongh Schilder / Hans Speeckaert.... Hij was door ongesontheyt eens op reys nae Nederlandt tot Florencen: doch keerende weder te Room / is daer gestorven / omtrent het Jaer 1577." Dit „oock" slaat op Hans en Willem Tons, waarschijnlijk dus insgelijks kennissen te Rome. Genoemden Hans Speeckaert komen wij nog eens tegen fol. 263b, waar van Aert Mytens verteld wordt, dat hij „hadde veel omgang met Hans Speeckaert." Waarschijnlijk maakte dus van Mander ook kennis met dezen schilder: hij weet althans veel intieme familiebijzonderheden van hem, juist uit diens Ita'iiaanschen tijd, mee te deelen. x) Ook weet van Mander b.v. van Aert Mytens mee te deelen, dat hij te Rome veel schilderde bij „Anthoni Santvoort, die men hiet den groenen Anthonis" (fol. 263b). Bij dezen schilderde ook Hans van Aken omstreeks 1577, toen hij 22 jaar oud was. Ook Joseph Heinz, van Aken's leerling. Destijds was van Mander nog te Rome, zoodat de mogelijkheid niet uitgesloten is, dat hij ook deze beide schilders aldaar nog aangetroffen heeft.

Meer zekerheid hebben wij weer bij de volgende schilders. In de eerste plaats Spranger, over wien hieronder meer. Diens vriend Michiel Gioncquoy had van Mander — wij zagen het reeds — in 1569 te Doornik leeren kennen, toen hij bij Vlerick leerde.

Dan noemt van Mander nog (fol. 295^) als zijn kennissen te Rome: Gaspar Huevick van Oudenaarden, die in 1604 te Berry woont, en „een constigh schilder van Groeninghe, Herder gheheeten." Waarschijnlijk ontmoette hij in Italië de beide broeders Bril, Matheus en Paulus, die daar nog jong gekomen waren en stierven.

') Zie onder Bernard van Somer.

Sluiten