Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit laatste gebeurde ook met van Mander; hij huwde, doch kort daarop braken voor Vlaanderland de ongelukkige tijden van strooptochten en plundering aan.

Wederom had van Mander toen een zestal jaren in het centrum der Vlaamsche schilderswereld geleefd. Te Brugge werkte Hubrecht Goltzius (fol. 247/^); te Mechelen: Hans Bol (fol. 260a) en Vredeman de Vries (fol. 265^), beiden later te Antwerpen; te Antwerpen: Cornelis Molenaar (fol. 256^), Pieter Balten (fol. 257^), Joos van Lier (fol. 25ja), Pieter en Frans Pourbus (fol. 2570), Michiel Coxie (fol. 260a), Marten de Vos (fol. 259^) en over Vlaanderen verspreid de talrijke leerlingen van Frans Floris (fol. 242^—243^). Bovendien leefden en werkten daar de zoons en leerlingen van de reeds gestorven oude meesters, zooals Paulus van Aalst, de Breughels, enz.

In 1581 ontmoeten wij van Mander te Doornik, in 1582 te Brugge en in 1583 te Haarlem, waarheen hij over Middelburg met vrouw en kinderen getrokken was en waar hij, zooals hijzelf (fol. 293a) vertelt, in kennis kwam met Cornelis Cornelisz., Hendrik Goltzius. (In de levensbeschrijving: ,,.... quam korts daer nae aen kennisse van Goltsius en Mr. Kornelis / hielden en maeckten onder haer dryen een academie"). Verder met Jacob Matham (fol. 2$\b) en Cornelis Ketel (fol. 274#). In 1602 ontmoette hij daar nogmaals zijn ouden vriend Spranger (fol. 274a).

Deze laatste, twintigjarige periode van van Mander's leven, te Haarlem doorgebracht, was voor het ontstaan van het Schilderboeck van het meeste gewicht. In dezen tijd maakte hij kennis en sloot vriendschap met schilders en kunstminnaars te Haarlem, Amsterdam, Leiden, Delft, Alkmaar. Onder die kunstliefhebbers en verzamelaars komen de eerste plaatsen eischen: Melchior Wyntgis te Middelburg, wiens collectie van Mander (blijkens (fol. 242a en 246^) uit eigen aanschouwing kende; Jacob Rauwert enjaques Razet te Amsterdam; Bartholomeus I1 er re ris en Johan Knotter te Leiden. Een volledige lijst der kunstcabinetten, die van Mander kende, vindt men in Bijlage I.

Sluiten