Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarschijnlijk het laatste deel van zijn Schilderboeck op Sevenhuysen, waarheen hij in 1603 verhuisde, geschreven hebben. Hier schreef hij, op den 8en Juni 1603 zijn opdracht aan Jaques Razet Antycke Schilders"). In een korten tijd zou hij alzoo zijn werk op papier gesteld hebben; doch hoogstwaarschijnlijk had hij fragmenten reeds klaar in portefeuille liggen. Daar hij evenwel alles tot 1604 bijgewerkt heeft, zooals wij boven zagen, valt het moeilijk met eenige zekerheid den datum van opstelling van iedere levensbeschrijving afzonderlijk na te gaan. Een enkele maal slechts zijn er nog van die overblijfselen van vroegere bewerking te herkennen. Zoo b.v. in het Leven van Quinten Massys, waar (fol. 216a) van Philips II gezegd wordt, dat hij „lest overleden" is. Daar wij weten, dat deze 1598 stierf, kunnen wij dus met eenige zekerheid de eerste bewerking van dit Leven niet lang na 1598 stellen.

Zoo ook nog voor het Leven van Lambert Lombardus, dat waarschijnlijk pas na 1599 werd opgesteld, daar van Mander uitdrukkelijk verklaart de levensbeschrijving van de hand van Lampsonius niet te hebben kunnen bemachtigen. Lampsonius stierf in 1599; één verzoek aan hem, die zooveel voor de schilderkunst voelde, zou voldoende geweest zijn het gewenschte te bekomen.

Onder voorbehoud zou men uit beide plaatsen kunnen opmaken, dat van Mander niet vóór 1599 ernstig gegevens is gaan verzamelen. Hiervóór zou ook een aanteekening van Arent van Buchel 1) pleiten. Daarin wordt o. a. dit meegedeeld:

„Ant. Morus .... qui cum nepoti ex filio omnes suas reliquisset picturas et notata sub fidei commissio Polidamantis statuarii et Egid. Cogneti, ipso mortuo cum tandem et Cognetus Hamburgi obiisset, quosdam libros in quibus ille quaedam notauerat.... ad filias Mori pervenerunt.... etc."

Van Mander wist, dat Gillis Cognet, dien hij o. a. te Amsterdam nog moet ontmoet hebben, in 1600 te Hamburg overleden was, Bij diens leven, dus vóór 1600, had hij van dezen de inlich-

l) Oud-Holland V bldz. 148 en 312.

Sluiten