is toegevoegd aan uw favorieten.

De bronnen van Carel van Mander voor "Het leven der doorluchtighe Nederlandtsche en Hoogduytsche schilders"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

magherheyt (die wel een sieckt mocht heeten) meent welstaende en schoon te wesen." Doch ook de mannen krijgen hun deel. „bij ons gaetmen somtijts vlechtebeenen met onder wijde toegestropte broecken / datmen nouw voort en can. Nu hebben wy ons buycken ghemaeckt / datse verre over den gordel hangen: dan comen wy weder voort gheperst in onse cleeren datmen qualijck de ermen can beweghcn / oft zijnen adem halen / en hebben Galey-broeckë gelijck als de roeyende slaven en d'een is op Fransch / d'ander op Spaensch / en Portugaels. T'somtijden mosten de broecken soo enge zijn / datmen se met aentreckers had mogen aendoen."

Als tweede voorbeeld zie men o.a. fol. 251 b in het Leven van Pieter Vlerick, waar op tragische wijze geklaagd wordt over het bedroevend feit, dat ook de schilderkunst in het keurslijf van een gild wordt geperst: „O al te ondanckbaer tegenwoordige Eeuwen / datmen door aendringen van onaerdige brodders / sulcke schandelijcke Wetten / en derghelijcke afjonstige ordeningen / in den steden plaetse heeft ghegheven / dat over al schier (sonder schier alleen te Room) vande edel Schilder-const wort een Gildt ghemaeckt / ghelijck men van alle plompe handt-wercken en Ambachten / als Weven / Pels-naeyen / limmeren / Smeden / en derghelijcke doet."

De toepasselijke inleiding is soms lang, soms kort, al naar het valt. Veel werk maakte van Mander b.v. van de inleidingen op de Levens van Lucas van Leiden, Frans Floris, Pieter Vlerick, Spranger, Goltzius, Cornelis Cornelisz., enz. Voorbeelden van zedekundige, geestige inleidingen vindt men in de Levens van Hugo van der Goes, Geertgen van St. Jans, Cornelis Engelbrechts, Joos van Cleve, Rijckaert Aertz, Jan Swart, Pourbus, Hoefnagel, Vroom, Bloemaert, enz.

Opmerkelijk is, dat van Mander de levensbeschrijvingen van zijn vrienden, kennissen en leermeesters gaarne met rhetorische

breedheid inleidt. Men zie b.v. Vlerick, Ketel en Bloemaert.

*

♦ *

Nog dient er op gewezen, dat van Mander soms in de levens-