Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wisschen, die regels, als de volgende, achterlaten moeten:

O Musa, zingt mij nu den toorn schadig Van den stouten Achilles ongenadig,

Veroorsaeckend' een fel doodlijck dangier Waer door van menigen Griecksen Princier Ter helscher donckerheyt voeren sielen,

Wiens lijven op de Troysche velden vielen,

En liggend' onbegraven, wierden eilaes Spijse der honden, en der vogelen aes.

enz.

Zonder tendenzieuse overdrijving moet men echter wel toegeven, dat van Mander's stijl, die vooral uit het proza van het Schilderboeck kan worden gekend, niet vrij is van rhetorijksche gezwollenheid en daardoor dikwijls voor ons ongenietbaar wordt. Toch spreekt uit het geheele boek een gezonde geest, een oprechte liefde voor de kunst, die dezen Gheselle van rhetorycke dikwijls natuurlijk en ongekunsteld doet spreken. Zelfs doet 't dikwijls prettig aan, nu eens een naïve voorstelling van een voorval, de kinderlijke bewondering voor een groot schilder of machtig schilderwerk, dan weer den pittig weergegeven humor in het toenmalige schildersleven te lezen.

Zijn schilderingen van het zestiend-eeuwsche leven zijn kostelijke bijdragen tot de kennis van maatschappelijke toestanden uit dien tijd. Ik wijs er slechts op, hoe b.v. G. Kalff in zijn „Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde in de i6e Eeuw" (Leiden 1889) fragmenten uit de Levens van Heemskerck en Aert Claesz. bewerkt ter schetsing van de toenmalige ruwe zeden.

Zijn beelden en vergelijkingen hebben dikwijls de verdienste plastisch en treffend te zijn. Ik behoef slechts in herinnering

bldz. 1—40, die aldaar de oordeelvellingen van Wi tsen Gey sbeeck,

Snellaert, Siegenbeeck, De Vries, Kops e. a. benevens de loftuitingen in verzen van oudere schrijvers, als Antonides van der Goes, in het Pan-Poeticon Batavum enz., aanhaalt.

Sluiten