Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met die „eenigen" zijn bedoeld Vaernewijck en Lucas de Heere (zie onder dezen). Klaarblijkelijk heeft dus van Mander het bekende inschrift op de lijst niet gekend, waar o. a. vermeld

staat: ,, Hubertus e Eyck .... incipit pondus, [quod] Johannes

[frater perfjecit Iudoci Vyd prece fretus etc." Iets wat trouwens ook reeds blijkt uit de omstandigheid, dat van Mander meent dat de Agnus Dei gemaakt werd op bestelling van Philips van Charlois (fol. 200a).

Dat althans Vaernewijck beter op de hoogte was en misschien ook het inschrift wèl kende, blijkt o. a. uit zijn manuscript „Van die beroerlicke tijden van Ghent" ') bldz. I44> waar de namen der bestellers genoemd worden.

Van Mander grondt zijn afwijkende meening op de omstandigheid, dat „hij oock te Ghent is begraven / in de selve kercke." Heeft een uitlating bij Lampsonius hem hier misschien op een dwaalspoor gebracht? N.l. waar deze zegt:

Quas modo communes cum fratre, Huberte, merenti Attribuit laudes nostra Thalia tibi.... etc.

Evenmin gelukkig is een tweede conjectuur van van Mander, ditmaal wegens haar vaagheid: „En weet oock", zegt hij „dat Ioannes soo langhe niet en leefde / op veel Jaren nae / als Vasari den tijt stelt / hoe wel Ioannes niet jongh ghestorven is / als eenigen schrijver meent." (fol. 200a).

In de eerste plaats Vasari. Ik heb bij hem aangaande Jan van Eyck's levenstijd niets anders kunnen vinden dan deze twee vrij

vage uitlatingen: (IV, p. 76): ma divenuto vecchio "

en (ibid. p. 78): „.... Giovanni gia vecchio....". Werkelijk geen beweringen, waaraan een beslist protest als dat van van Mander besteed is.

Met den „ eenigen schrijver" is dus öf Vaernewijck of Lucas

>) Uitg. der Mij. der Vlaamsche Bibliophilen IV, n°. I (1872), bezorgd door F. VanderHaeghen. Het werk bevat belangrijke, tot heden ongebruikte, kunsthistorische bijzonderheden. Zelfs aan Beek er (zie hieronder) is deze bron ontgaan.

Sluiten