Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen hebben uyt den Printen / de welcke de schilderyen niet ghelijcken: maer dickwils eenen goeden rock hebben uytghelaten."

Niet alleen op Vasari, doch ook op Lampsonius heeft van Mander iets aan te merken. Zoo in het Leven van Lucas van Leiden, waar (fol. 2146) van Mander de opmerking van het hart moet, dat Lampsonius den genoemden schilder „niet ghenoegh loflijck na verdienste" roemt.

Verder combineert hij (fol. 2160) de legende van Quinten Massys zooals die door Lampsonius meegedeeld wordt met een verhaal, dat hij uit een andere bron putte.

En hiermede eindigt van Mander's kritiek op zijn gedrukte bronnen, althans waar hij openlijk tegen hen optreedt. Het is natuurlijk onmogelijk na te gaan of van Mander sommige uitlatingen bij zijn bronnen opzettelijk dan wel bij vergissing of uit een andere oorzaak voorbij ging, zooals b. v. steeds eigenaardig blijft, dat hij niet meedeelt, dat Joos van Cleve schilder van den koning van Frankrijk werd, zooals Vasari op gezag van Guicciardini opgeeft (XIII p. 150).

Van zijn gedrukte bronnen noemt van Mander alleen Vasari, Lampsonius en Borbonius. Lucas de Heere's „ Boomgaerdt^der Poesiën" zou, wanneer men het boekje zelf ongeraadpleegd liet, gerangschikt worden onder de categorie van werken, waarvan alleen de titel door van Mander opgegeven wordt. Het blijkt evenwel, dat van Mander verscheiden lofdichten aan het werkje van zijn leermeester ontleende.

Ook Vaernewijck wordt niet genoemd. Misschien is dit toe te schrijven aan het feit, dat de „Historie van Belgis" zonder naam van den auteur verscheen.

Sluiten