Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hadrianus Junius.

Onder van Mander's bronnen moet m. i. ook Hadrianus Junius, de Hoornsche medicus, gerekend worden, en wel op grond van de gegevens op pag. 238—240 in diens „Batavia (Lugd. Bat. 1588), waar een achttal schilders genoemd worden en ieders genre en manier van werken in een paar woorden weergegeven is.

Deze schilders zijn: Antoni Blocklandt, Dirk Barendsen, Marten Heemskerck, Antoni Moro, Jan Mostart, Pieter Aertsen en Jan van Scorel: „florentia aliquot ingenia. quae neque possum, neque debeo silentio praeterire."

Het spreekt echter bijna wel van zelf, dat van Mander, die over deze schilders elders veel uitgebreider en belangrijker inlichtingen bekomen kon, zich niet angstvallig aan Junius als éénige bron heeft vastgeklampt, te meer daar van Mander gewoon is in eigen bewoordingen en volgens eigen inzichten zijn meening over schilders en schilderwerk te zeggen.

Is dus Junius niet aan te merken als een belangrijke bron, toch is m. i., op grond van de overeenkomst in een enkele karakter- en genrebeschrijving, aan te nemen, dat van Mander bedoelden schrijver niet ongeraadpleegd liet.

Men vergelijke:

Blocklandt [Antoni |

fol. 253^:

„.... wekken oospronglijk zijne afkomst heeft van den Heeren Baronnen en Borchgraven van Montfoort."

Sluiten